Ik ben blij dat we er niet blijven slapen

Een paar jaar terug hoorde ik een liedje over Charleroi. Het was van Tom Pintens en hij speelde het live bij De Wereld Draait Door. Veel wist ik niet van de stad. Ja, het was een vervallen industriestad, de lelijkste stad ter wereld volgens velen. Oh, en Marc Dutroux had er zijn horrorkelder. Het liedje van Tom Pintens was echter lief, zacht voor de mensen die er wonen. Toen ik het hoorde wist ik dat ik erheen zou gaan. Een andere reden kon ik bij mezelf niet ontdekken.

image

*foto door Olivier van Breugel



Na anderhalf uur rijden we de stad in. Een slinger van verhoogde wegen leidt ons naar het centrum. We zijn de enige toeristen, zoveel is direct duidelijk. Nieuwsgierig naar de geveltjes aan het kijken, met onze neuzen tussen de kieren van een afgetimmerd pand.

Rondje centrum dan maar. Veel kleine winkeltjes met plastic rommel. Veel dichte cafés ook. Overigens allemaal herkenbaar aan een schreeuwerig Jupiler logo dat er nog hangt. Een herinnering aan toen alles nog stroomde. Lusten de mensen hier geen bier? Misschien zijn ze er net als ik achtergekomen dat Jupiler een overschat pilsje is. Dat drinkt een liefhebber niet. 



We wandelen café du Monument in, eveneens met Jupiler logo, maar wél geopend. Binnen ruikt het naar overstroomd toilet. We zijn blij dat we niet kunnen pinnen, omdat het ons een excuus geeft rechtsomkeert te maken. Pinnen kan overigens in geen enkel café in Charleroi. Je zou ook gek ook zijn om je belastingopgave hier netjes te doen.


Midden in de stad is een plein met een kapotte fontein. Een zevensprong van straten waaiert vanaf hier uit de rest van de stad in, maar geen enkele lijkt echt ergens naar toe te gaan. Op het plein bevindt zich ook het Maison du Tourisme. Maar, er is een grote plaat pershout tegen de pui van het Maison getimmerd. Typisch, zeggen we. Zie je wel. Wat een verpauperde stad, het is nog erger dan we dachten. We maken een foto van het gebouwtje, wandelen verder en zien dan dat het toeristenhuis verbouwd wordt. De ingang zit aan de zijkant en drie dames van middelbare leeftijd zitten achter een balie te wachten op gasten. We voelen ons een tikkie beschaamd. Ontmaskerd als ramptoeristen. 



Nu onze oogkleppen zijn afgeworpen kunnen we echt naar Charleroi kijken. Leeg vinden we het, er zijn maar weinig mensen op straat voor een stad ter grootte van Eindhoven. Maar je ziet dat de Carolos hun best doen er iets van te maken. Zo is er een fraai opgeknapte promenade aan de rivier de Sambre, nabij het station, waardoor de entree van de stad er voor treinreizigers chique uitziet. 


In een zijstraatje van de promenade, in de Rue de Brabant, komen we een brewpub tegen. Betonnen gietvloertje, bartafels van robuust hout, glimmende brouwketels midden in de zaak; het had zo in Amsterdam kunnen staan. Alleen is het hier niet stervensdruk met hipsters, er zitten dezelfde mensen als in café Monumental.


Op andere plekken werkt het opkalefateren van de stad minder goed. Kleurrijke muurschilderingen veranderen niet veel aan het apocalyptische beeld. Halfingestorte huizen in een straat waar de laatste bewoner dapper probeert de straat levend te houden.
 Maar slechte ideeën zijn oké, daar worden de goede juist beter van.

image

*foto door Olivier van Breugel

Als je problemen van steen zijn, vraag ik me af of de oplossingen ook van steen zijn. Ik weet het niet. Elke keer als je iets hebt opgeknapt, is er iets anders weer verloederd. Hoe hard je ook probeert, het blijft vechten tegen de bierkaai. Van die vaststelling word ik een beetje mistroostig.

Maar cynisme is wel de laatste optie voor Charleroi, dan kun je de boel beter opdoeken. Dan zeg je dat verandering nooit mogelijk is. Kun je alle olie en kolen ter wereld lekker opstoken omdat alles toch wel naar de klingelklangel gaat. Dan ben je als de roker die zegt: ‘ach, je moet ergens aan dood gaan’. Nee, ne me quitte pas Charleroi. Volle kracht vooruit! En zoals Tom Pintens al zong:

Pays noir
De zon schijnt ook voor haar
Het is geen bedelaar


In het vroege duister knabbelen we bij een parkeerplaats aan de Sambre uit een puntzak friet.
‘Ik ben blij dat we er niet blijven slapen’, zegt mijn maatje. 

Dat was in ieder geval een goed idee.


Plaats een reactie