Het is warm vandaag in Schotland. ‘De laatste zomerdag, maak er wat van’, zei de receptioniste van het hotel nog voor ik de deur uitging. Ik had een boekje meegenomen waar ik niks uit zou gaan lezen.
‘Ik hoorde het’, antwoordde ik. ‘De voorspellingen. Alleen maar regen na vandaag.’
‘Nae bothers’, zei ze terug. Wat zoiets betekent als: geen zorgen. Het is de laatste zomerdag, maar daar gaan we niet melancholisch over doen.
Ik ga zitten op het gras. Krijsende meeuwen overstemmen het rustige gekwebbel van de mensen die hier ook liggen. Stelletjes vooral, mannetje en vrouwtje en het mannetje iets dikker dan het vrouwtje. Buiken en gladde schedels als kale heuvels boven het groen uitstekend.
De pub die aan ons hotel vastzit loopt ondanks het mooie weer al vroeg vol. Meisjes met strakke topjes (vaak met hun moeder) komen als eerste binnen. De mannen, met spijkerbroeken en t-shirts (vaak van een voetbalclub), volgen later. En daarna ook wij.
‘Hoe kan een land zo mooi zijn en de mensen zo lelijk?’, vraagt mijn vriend C vanaf ons tafeltje bij het raam. Buiten schijnt de zon nog over de heuvels en het water, maar als drinken je hobby is, moet je naar binnen.
Bij ons is het precies andersom, denk ik. Het land is één groot rijtjeshuis, maar de mensen zien er goed uit. Op het terras, in de volle zon, zitten we prominent in de etalage. Een pub is juist een plek om je te verstoppen.
In de namiddag wandel ik aangeschoten weer naar buiten. Het gras is een beetje vochtig geworden en behalve de in het zwerfvuil rommelende meeuwen is er niemand meer. We zijn niet zo veel anders, die meeuwen en ik. Altijd zoekend naar iets beters. Denkend dat er in de volgende verpakking iets lekkerders zit. En dat betekent dat je elke frietbakje moet omdraaien om dat zeker te weten.
De volgende ochtend hangen er dikke wolken boven de baai. We ontbijten om de hoek waar de plakken spek de dikte hebben van een klein tijdschrift. Ze liggen op een stapeltje pannenkoeken, badend in ahornsiroop.
‘Misschien zijn de varkens hier dikker, en als je die veel eet, word je dat vanzelf ook’, zeg ik.
‘Ik ga sowieso meer eten in donkere maanden’, zegt C.
Na het ontbijt rijden we over een kronkelweggetje naar het noorden. Het wordt alleen maar mooier en het wordt alleen maar dreigender. Regendruppels als de eerste dikke tranen van een huilbui op het raam.
‘Het hoort er wel een beetje bij hè, dat slechte weer’, hoor ik iemand zeggen, misschien ikzelf wel. En niemand antwoordt als de bergen de horizon in beslag nemen.