laatvlieger

In de trein, na mijn werk, plof ik neer op het laatste vrije plekje. De jongen op de andere stoel zit te schrijven in een notitieboekje. Hij is zichtbaar geschrokken door mijn ietwat lompe plaatsname en krult zijn lichaam over zijn woorden.



Als je je gedachten aan het papier toevertrouwt, kun je geen pottenkijkers gebruiken, dat begrijp ik wel. Ik haal mijn laptop tevoorschijn, om zowel de jongen als mezelf gerust te stellen en tik wat woorden op het scherm.


‘De laatvlieger is een vleermuissoort die zo wordt genoemd, omdat hij later uitvliegt dan zijn collega vleermuizen. Ik had dat gehoord bij Vroege Vogels en vond het een mooi idee, een dier noemen naar zijn ritme, een beetje zoals wij elkaar een avondmens, of een uitslaper noemen, een luilak soms zelfs.’

Zuchtend zakt de jongen achterover, blijkbaar heeft hij alles wat hem dwars zat neergepend. Ik kan het niet laten. Ik moet kijken naar zijn tekst. Maar die is niet zichtbaar, zijn hand ligt nog op het papier. Zijn schouderophalende zuchten doen vermoeden dat hij een flinke last meedraagt. Ik tik verder.


‘De vlieg is het enige dier dat is genoemd naar zijn voornaamste manier van bewegen: vliegen. Paarden noemen we geen renners, vissen geen zwemmers. We kennen wel renpaarden en werkpaarden, maar die hebben we eerder al gekwalificeerd als ‘paarden’. Een vlieg doet natuurlijk meer dan vliegen. Hij landt op drollen, wast zijn pootjes als hij gevangen zit achter een raam en wandelt over wijnglazen. Maar wij noemen hem vlieg.’ 



De jongen is in zijn jas gekropen, zijn gezicht is nu helemaal aan het oog onttrokken en zijn verhaal ligt open en bloot op de klaptafel. Een rond, net handschrift zonder doorgekraste zinnen. Als je wil spieken moet je het nú doen. Maar ik weet me nog net te bedwingen. Sommige verhalen kun je beter zelf verzinnen, zeg ik tegen mezelf om mijn nieuwsgierigheid te sussen.

‘Een zwartkijker is iemand die de zaken somber inziet. Maar als het donker is in je, kan het juist wel handig zijn als je het zwart in kunt kijken. Dat je kunt zien wat daar is. Zoals dat als je maar lang genoeg je ogen openhoudt in een donkere kamer, je precies kunt zien waar alles zit; de deur, de kast, de bedrand. En het zwart opeens wat minder zwart is.


Vleermuizen hebben hun eigen manier van kijken in het zwart. Ze zijn praktisch blind en gebruiken sonargeluiden om de omgeving te leren kennen, toch bewegen ze zich op precies het juiste moment de nacht in, nooit te vroeg, nooit te laat, maar soms wel als laatste.’

Plaats een reactie