Gistermiddag in Utrecht. Een man trekt met een rolkarretje witte lijnen op de straat bij Hoog-Catharijne. Een lappendeken van tegels en beton wordt door de strepen bijeengetrokken, zodat het duidelijk is waar je wel en niet mag gaan; hier houdt het ene op en begint het andere. Veel helpt het niet, het blijft een warboel op straat en mensen lopen dwars over de zojuist getekende grenzen heen.
Ik herinner me de terreinknecht van mijn oude voetbalclub. Op zaterdagochtend trok hij de krijtlijnen rond het veld, zodat je niet verdwaalde in de weide en per ongeluk in een andere wedstrijd belandde. Als hij zich had verslapen, en pas vlak voor de wedstrijd in alle haast de lijnen had getrokken, stond de cornervlag soms een meter verder van het doel af.
Eerder deze week zei iemand me dat de jaren ’20 voor de deur staan. Hij zei het alsof er een markerende streep in de tijd stond. Een nieuw decennium. Ik had er niet eerder zo over nagedacht en ik denk dat vrijwel niemand in deze termen over het nu nadenkt. Een decennium laat zich pas ver na afloop duiden en eigenlijk ook dan pas voelbaar maken door iets wat we nostalgie noemen.
Ook al kunnen we het nu niet duiden of markeren, toch hangen we de hele tijd de lijnrechter uit. Kijk maar naar de kringetjes die we met zelfverzonnen woorden om groepen mensen zetten: vuurwerktokkies, luchtvluchtelingen, plunderpubers. De top drie bij de woord van het jaar verkiezing van Van Dale bestond zelfs volledig uit zulke constructen: boomers, klimaatspijbelaars en klimaatdrammers waren respectievelijk de nummers één, twee en drie in de uitslag. En dan kenden we al de treitervloggers, taalnazi’s en, vergeven maar niet vergeten, de blokkeerfriezen.
Ik verwacht niet dat we op korte termijn stoppen met het verzinnen van nieuwe woorden, het is veel te leuk namelijk. Ik hoop vooral op een creatieve uitbarsting in de jaren ‘20. Wees gevat en rijk met je taal, niet lomp en kwetsend. Want ik heb echt geen zin om je komend jaar een taalterrorist te moeten noemen.