de filosofie van de zwerver

Zelfs een zwerver zit wel eens ziek thuis. Dat wist ik ook niet. Ik kwam er per toeval achter door zwerver Willem. Hij was al een tijdje niet op straat gesignaleerd en direct gingen er geruchten rond over zijn overlijden. Hij zou in het water liggen. Nee, hij zou zijn aangereden door een dronken bestuurder – de ironie! Of nee, het was toch een nare ziekte. Zelfs het lokale krantje berichtte erover.


Een paar dagen na zijn vermissing dook Willem doodleuk op in de binnenstad, met een blik bier in zijn hand en een nieuwe jas om zijn schouders. Een paar kilo lichter, dat zag je wel aan hem, maar verder was hij zijn vertrouwde zwervende zelf. Hij had alleen even ziek thuisgezeten.

Waar hij nou precies had verpoosd, bleef me onduidelijk. Zoals wel meer onduidelijk bleef over Willem. Alleen als je hem zag, bestond hij. Als hij er niet was, betekende dat niet dat hij er niet meer was, hij was alleen niet op die plek op dat moment. Willem anticipeert niet op de verwachtingen die wij van hem hebben. Dat is zijn zwerversprivilege: hij hoeft aan niemand meer te laten weten waar hij is. Of daar ook maar op enige manier rekening mee te houden.


Zonder het bestaan op straat te romantiseren alsof Willem een soort Douwe Dabbert met knapzak is die door de landerijen trekt, – het zwervende bestaan is ontzettend zwaar – schuilt er een simpele logica in de zwerversfilosofie.
Je hebt honger, dus je zoekt een maal. Je hebt dorst dus je drinkt. En als de schemer valt ga je op zoek naar een slaapplek. Alles wat eventueel zou kunnen gebeuren is niet relevant, evenmin zijn de verwachtingen die je erover hebt belangrijk. De dingen gebeuren, of ze gebeuren niet. Verder vooruitkijken heeft weinig zin.

De twee keer dat ik Willem ontmoette maakte ik kort kennis met de zwerversfilosofie. De eerste keer was op mijn verjaardag in de zomer, ik wandelde met een volle krat bier terug naar huis en Willem rustte wat in de schaduw van een huis. Ik bood hem een flesje aan. Hij zei dat het niet zijn lievelingsbier was, maar dat hij wel dorst had. Met één grote teug leegde hij het flesje en zette het daarna terug in de krat.


De tweede keer dronk ik zelf bier in een café en wandelde Willem binnen. Er was een besloten feest gaande en hij bestelde een pilsje. Het was wederom niet zijn lievelingsbier, maar het was warm die dag en hij had dorst. Zijn flitsend gekleurde legging stak fel af tegen alle grijze colberts van de andere gasten. We kletsten wat over koetjes en kalfjes. Ik vond het leuk dat hij er was, maar na een biertje moest hij wegwezen van kastelein. Hij morde niet, maar stiefelde ontspannen naar buiten. De dorst was gelest, voor nu.


Toen ik gisterenavond in een piekerige bui op de bank zat, dacht ik terug aan de zwerversfilosofie. Ik hield me bezig met dingen die al dan niet zouden kunnen gebeuren, iets dat een volleerd zwerver niet zou doen. Na een poosje te hebben gemarineerd in minder effectieve gedachten, trok ik mijn jas aan en sjokte ik de straat op. Onzichtbaar kleine druppeltjes koude regen miezerden op mijn gezicht. De meeste mensen zaten binnen. Ik ging me al vrij snel zielig voelen en wilde terug naar huis. Ik dacht aan Willem. Waar zou hij nu zijn? En had hij ook last van dergelijke gevoelens? Ik vermoedde van niet. Het regent, dus hij schuilt. Waar hij straks naar toe zal gaan? Dat doet er nu nog niet toe.

Plaats een reactie