zelfisolatie dagboek – donderdag 16 april

Een telefoontje van Elfie Tromp. Ze belde om een gedichtje voor te dragen. Ik hoopte dat ze mij speciaal had uitgekozen, maar waarschijnlijk was dat niet. Het enige dat ik wist was dát een dichter mij deze week zou bellen als ik mijn telefoonnummer zou doorgeven.
Over weemoed of geluk, vroeg Elfie. Weemoed, zei ik. M luisterde op de achtergrond mee en lachte: weemoed, maar natuurlijk.


Het gedicht ging over een roeimachine. Als die in huis komt, weet je dat er stront aan de knikker is. De ander zal verbeten op dat ding tekeer gaan en met elke slag verder van je afdrijven. Hoe het verder ging weet ik niet meer (het was de enige keer dat ik het hoorde), maar het was mooi. Ik vroeg me af of dat van die roeimachine ook geldt voor mensen die binnen fietsen, jongens die zich op hamsterlijke wijze op hun zolderkamer bewegen. Trappen die ook onzichtbaar van alles weg?

Of we wilden afsluiten met een vrolijk gedicht, vroeg Elfie. Graag, zei M.

Plaats een reactie