zelfisolatie dagboek – dinsdag 28 april

Zoals een astronoom de hemel afspeurt naar nieuwe sterren, zo zocht ik vandaag op mijn huid naar een teek. Nieuwe moedervlekken, die vond ik, en een puistje, maar van teken geen spoor. Dat mijn wandelmaatje er al een uit zijn been had getrokken, was voldoende reden om door te zoeken. Het niet vinden van een teek is namelijk geen bewijs van zijn afwezigheid – je hebt hem simpelweg nog niet gevonden.

Ik vatte de theorie op dat de teek aan de donkere zijde van mijn lichaam moest zitten; het stuk dat ik nooit direct met mijn eigen ogen kon zien. Daar waar mijn billen mijn benen raken bijvoorbeeld, of op het gladde deel van mijn rug. Maar ook toen ik met behulp van de spiegel verder kon kijken, bleef de teller op nul staan. 



Met mijn broek nog op mijn knieën en een beetje teleurgesteld, dacht ik aan de donkere zijde van de maan. De kant die nooit wordt gezien vanaf de aarde, maar daarom niet minder maan is. En hoe je er op moet vertrouwen dat je sommige dingen niet kunt zien, en andere dingen domweg niet bestaan.

Plaats een reactie