hommel

Er viel een halfdode hommel uit de boom. Zomaar, plof op het opengeslagen boek. Ze wiebelde nog wat met haar achterlijf en bleef toen roerloos liggen op een witregel. Ik dacht eraan om haar te reanimeren, maar ik wist niet hoe. Zo is de natuur, herhaalde ik maar in mezelf, want ik voelde dat ik een beetje jankerig werd.

Ik dacht aan wat een vriend laatst zei. Hij beweerde dat hommels helemaal niet kunnen vliegen. ‘Ze vliegen alleen maar omdat ze geloven dat ze het kunnen. Eigenlijk zijn ze te rond en wollig ervoor.’
Zou een vlaag van zelfbewustzijn de hommel hebben gegrepen, waarna ze in paniek te pletter stortte?

Ik weet het niet, ik vind hommels toch meer doeners dan denkers. Ze handelen op een manier waarop mieren en bijen handelen, dezelfde manier waarop een plant weet waar het licht is en waar het water, en zoals wij mensen ons wel eens omdraaien in een donker steegje om vervolgens toch de verlichte straat te nemen. Ze denken door te doen. Dat is niet ondoordacht, eerder een andere manier van slim zijn.

Deze hommel had er alles uitgehaald. Na wekenlang nectar uit bloemen slurpen voor haar nageslacht was ze dodelijk vermoeid. Haar vleugels stopten met slaan, ze verloor haar momentum in de lucht en landde op de zonverlichte bladzijde. Dat ik daar toevallig zat, op die plek waar ik wel vaker zit, tja, wat kon die hommel dat nou schelen?

Plaats een reactie