Ik ging klussen bij het zomerhuisje van een vriend in Hoek van Holland. Voor sloop- en sjouwwerkzaamheden wordt er vaker een beroep op mij gedaan en vandaag moest er vijftienhonderd kilo betonmortel worden opgehaald voor de fundering.
De weg naar de lokale bouwmarkt loopt dwars door het Westland, een glazen wereld die vergeten is hoe ze er eigenlijk uitzag. Soms zie je de contouren van het oude polderlandschap, dat geplet onder de eindeloze rijen kassen hapt naar adem. Veel vaker zie je dat niet, het landschap is al gestorven en begraven.
De huisjes langs de dijk, ingeklemd tussen de komkommer- en paprikafabrieken en de N-weg, staan als kleine kasteeltjes in een glazen woestijn. Het enige groen dat hier getolereerd wordt zijn strak gekamde heggen en kort gemaaid gras. Regelmatig is het gras al vervangen door kunstgras – dat is ook groen, maar bovenal onderhoudsvrij. Je moet wel een pleurishekel hebben aan de natuur als je hier woont. Zelfs het beetje dat nog rest moet zich slaafs onderwerpen aan de mens, of anders kapot.
Voor de ingang van de bouwmarkt staan mensen met oranje winkelkarretjes te wachten. Het laat zich raden wat ze gaan kopen: heggenscharen, onkruidverdelger, 60 bij 60 grindtegels, plastic kuipstoeltjes om op het kunstgras plaats te nemen, grasmaaiers en een paar extra verduisterende gordijnen – het licht van de kassen brandt ’s nachts namelijk gewoon door.
Nadat alle betonmortel was opgehaald begon het te regenen. Maar eerst was er de wind. De vierkante heggen bewogen niet, maar verderop in de duinen, met uitzicht op zee, stoof het zand en zwiepte het helmgras. We aten een visje uit diezelfde zee en hielden onze neuzen in de wind. In de auto rook het naar gefrituurde vis, maar wij roken slechts de natuur.