Zo gauw er moet worden verhuisd, word ik als lastdier ingeschakeld. Corona of geen corona, spulletjes moeten van A naar B gesjouwd worden en blijkbaar achten mensen mij daar geschikt voor. Vandaag was het atelier van mijn vriend O. aan de beurt, dat naar een leegstaand schoolgebouw in Hoogvliet verkaste.
Het schooltje stond op een open plek tussen twee galerijflats. Op het natgeregende terrein hielden nog een paar speeltoestellen dapper stand. Misschien was het dat beeld: een gelig klimrek tegen een verder grijze achtergrond, dat de oostblok-associatie in me opkwam, of misschien was het toch die niet aflatende regen en de flatgebouwen.
‘Beetje doorlopen joh, anders worden je plankies nat.’ Een man met een grote zwarte bril en een klein gevlekt hondje lachte naar me. Het was dan wel oostblok, maar ze spraken hier Rotterdams. De man sjokte weg, een poepzakje bungelend in zijn rechterhand.
Toen het sjouwwerk erop zat, stonden we even stil rond een kleine kerstboom bij de entree. Achter een deur klonk het geluid dat doorging voor het ritmische getik dat een draaiende wasmachine maakt. We klopten op de deur om te kijken of er iemand was. Een drummer deed open, hij zat midden in een oefensessie. De ruimte was tot het plafond gevuld met djembés en op de vloer lag een warm kleed.
’Allemaal kleine wereldjes’, zei een medeverhuizer toen de deur dichtging en het getik weer begon. ‘Achter elke deur een andere.’