Deze week ging het twintigste sushirestaurant van de stad open. In het krantenbericht werd het aangekondigd met een mengeling van verbazing en trots. Je moet wel een serieuze plek zijn als liefst twintig rauwe visrollers zich in je stad hebben gevestigd. Misschien richten ze wel hun eigen gilde op, met wapenschild en al; stuwen ze de stad tot grote hoogte door hun rijkdom in verbluffende bouwkunst te steken, zoals de gilden in de Middeleeuwen dat ook deden.
Het wrange aan het bericht is dat het tempo waarmee de tonijn zich voortplant, geen maat houdt met onze eetlust. Toen ik onlangs in Maastricht was, zag ik daarvan de eerste voortekenen al in de magneetvissers die op de kade stonden.
‘Bijten ze een beetje?’ riep ik naar beneden.
‘Vandaag niet. Gisteren heb ik een revolver opgevist.’
Ik vroeg hem wat voor soort, alsof ik het verschil kende, maar dat wist hij ook niet. ‘Gewoon om mee te schieten’, zei hij.
Metaal kun je niet eten. Vissen kunnen niet schieten. Ook het sushigilde zal plaats moeten maken, zoals het schuttersgilde dat al eerder deed. Want dagvers kan het niet lang blijven.