dinsdag 25 januari

Onlangs zat ik in een vliegtuig met iemand die ik lief vind. Ze heeft vliegangst en knijpt in mijn hand als de motoren opwarmen. Nog voordat we opstijgen, zegt ze dat ze vroeger alle afleveringen van Air Crash Investigation heeft gekeken. Ze kijkt uit het raampje. Regen klettert neer op de vleugel. Ik heb geen vliegangst, mompel ik onverstaanbaar achter mijn mondmasker.

Aan de andere kant naast me zit een man met een rugzak met snoep. Hij deelt het uit aan de kinderen in de stoelen voor en achter ons. Daarna krijgt hij een baby op zijn schoot geduwd. Een vrolijk, mollig hoopje mens in een blauw-wit gestreepte romper. Om en om begint een van de kinderen te huilen, en tenslotte ook de baby. Ze hebben geen last van vliegangst, maar van een suikerdipje.

Ik vraag een blikje Heineken bij de stewardess. De vader glimlacht en proost met een flesje babymelk tegen mijn blikje bier. Een ander kind, ergens tussen baby en peuter in, zit nu op zijn schoot. Als ze begint te poepen besluit ik mijn koptelefoon op te zetten. De neus is een onhandig lichaamsdeel. In tegenstelling tot de oren en de ogen kun je het niet afdichten, op straffe van onmiddellijke ademnood.

Ik las laatst dat geduld een actief besef is dat het leven niet altijd leuk is. De vader blijft rustig zitten.
‘Is ’t gedaan?’ vraagt hij aan het meisje. Ze knikt en hij neemt haar mee naar een van de toiletcabines achterin. Uit de open rugzak steken een half flesje babymelk en een kleine fles whiskey. Geduld is een schone zaak, denk ik. ‘Geduld is een schone luier’, zeg ik tegen mijn lief.

Plaats een reactie