woensdag 16 maart 2021

Vorige week werd ik gebeld door een man van de lokale LPF. Hij wilde praten over de naderende verkiezingen. Ik schrok, want: ben ik het kiezerspotentieel van de LPF? Ben ik de boze witte man? Ik was toevallig wel boos die dag waardoor ik in een staat van verwarring het gesprek afsloot.

Op de site van de LPF zag ik dat de man die mij belde een oud klasgenoot was. Hij had een vlassnor, droeg een overhemd met colbert en stond negentiende op de kieslijst. Doorgaans een vrij kansloze positie waarin je alleen stemmen krijgt van je moeder, je vriendin en met een beetje mazzel, van een oud klasgenoot.

Omdat het me niet losliet hoe hij aan mijn nummer kwam, belde ik hem terug en een goede vriend nam op. Het telefoontje bleek een geslaagde grap te zijn waar ik volledig was ingetuind. Een diepe zucht verliet mijn lichaam. Het equilibrium herstelde zich. Ik plakte een extra plakbandje op mijn Groen-Links poster, haalde wat tegels uit de tuin en plantte een kleine kersenboom.

In de kerk waar ik vanochtend heen ging, was ik de enige stemmer. De medewerkers van het stembureau dronken koffie. Een vrouw keek me extra diep in de ogen en toen naar mijn rijbewijs, daarna kreeg ik van haar het formulier, het potlood van een ander en een glimlach van de derde in de rij. Het formulier landde diep in de bus. Het blikkerige geluid verraadde dat ik de eerste was deze dag. Het was toch al half 10. Toen ik naar buiten liep bedacht ik me dat het een goed idee was geweest als de LPF wat meer telefoontjes had gepleegd. Al was het maar om mensen eraan te herinneren wat ze niet willen.

Plaats een reactie