Ik bracht het afval naar de ondergrondse container en vlak voor ik aankwam, haalde een fietser me in. Hij pakte een beschaafd zakje uit zijn fietsmand, zette die in een container en sloot de klep. Hooguit wat schelpenzand van een kanarie, dacht ik. Zelf had ik een dampende zak kattengrind bij me en plofte die neer naast de container.
‘Je moet een pasje hebben’, zei de man, ‘anders mag je afval er niet in. Dan komen de mensen met dat zoemende autootje, die bewakers, en die geven je een boete. Veel geld.’ Hij wapperde nog eens met het pasje. Ik zwaaide met de mijne terug en hees het kattengrind de bak in. De ondergrondse container smulde ervan, gelijk begon het mechanische ondergrondse gemaal. De man keek tevreden.
Hij zei dat hij uit China kwam en blijkbaar bij mij in de straat woonde. ‘Al twintig jaar’.
‘Ik pas één jaar’, zei ik.
‘Houdoe’, zei hij toen hij wegliep en pas toen bedacht ik me dat hij in het huis woont waar een rode kitten voor het raam danst als je langsloopt. Daar had ik hem graag naar gevraagd. Hoe noemen Chinezen hun katten?
‘Zou hij elke dag zijn kattengrind verversen?’, vroeg ik de dag erna aan E. ‘Hij had zo’n klein zakje’.
We passeerden zijn huis. Een NAC-vlag hing in het raam, de kitten lag te slapen.
‘Eerder zag ik er al een carnavalsvlag hangen’, vulde ik aan.
‘En hij zegt houdoe’, zei E.
‘Je moet wel in deze buurt, voor je het weet heb je een boete.’