Het appartement ruikt zoals de andere appartementen. Het ruikt naar strand en oude vakanties. Ik heb het gevoel hier eerder te zijn geweest, maar dat kan niet. Ik heb Oostende niet eerder bezocht. Maar zoals elk café herinneringen omhoog brengt aan eerdere cafébezoeken – je hoeft maar de drempel over te stappen -, wandelen nu herinneringen bij mij naar binnen aan vroegere vakanties aan zee. In het flatje van mijn opa.
‘Ik ben hier eerder geweest’, zeg ik tegen mijn vriendin.
‘Je bedoelt in Oostende?’
‘Dat niet, maar in de buurt.’
‘Heb je de banken gezien? Deze mensen hebben smaak.’ Ze wijst naar de lichtgroene banken, een soort poeven, die aan weerszijden van het appartement staan en laat zich er sierlijk in landen.
Ik zet een raam open om de zee te horen, maar alleen stadsgeluiden waaien naar binnen. De meeuwen zijn stil. Aan de overkant van ons appartement ligt Hotel du Parc. Nergens branden lampen, maar het is nog steeds prachtig. Het wordt verbouwd, lezen we later op een briefje op de deur en dat stelt mij gerust.
We trekken erop uit en passeren de bar waar Marvin Gaye zich ophield toen hij hier verbleef. We vragen ons af wie de Marvin Gaye van deze tijd is en of die hier nog steeds naartoe zou komen. We weten het niet.
Heden en verleden lopen hier door elkaar. Er zijn meerdere schrijvers en kunstenaars die in Oostende verbleven. Proust, Ensor en Nabokov, om er maar wat te noemen. Je kunt vanaf het vaste land niet verder westelijk dan Oostende, of je moet de zee in (of over). Daarom verzamelden hier mensen die iets probeerden te ontvluchten, mensen met een verhaal, maar ook mensen op zoek naar inspiratie, zo is het idee. En men kwam voor het licht dat zo mooi schijnt over de Noordzee. Dat laatste is nog steeds zo.
‘Het blijft een rare plek, dat strand, dat podium van zand, die laatste drempel’, zei Koen Peeters. Hij schreef een boek over de kunstenaars in Oostende. Ik moet daaraan denken als we op de laatste dag van ons heerlijke weekend nog een keer over de boulevard wandelen. Het is maandagochtend en alles is gesloten. De winkels, de cafés, de gordijnen. De muur van bebouwing aan onze rechterkant. En de zee en de zilveren lucht, alles open, op links.

Léon Spilliaert (1909) – Strand en dijk te Oostende