De poes roofde een balletje falafel van mijn bord. Zo hap-slik-weg. Het ging zo snel dat het bewijsmateriaal al was verorberd voordat ik kon reageren. Van een veroordeling of straf kon geen sprake zijn, ze had zojuist een Oceans Eleven-achtige kraak weten te volbrengen, de volle buit meegenomen en daar kon ik alleen maar bewondering voor hebben. Met grote ogen keek ze naar me en leek ze zich af te vragen waarom mijn mond openstond.
Even daarvoor danste poes nog op het ijs in een ondergelopen plantenbak. Ik stond klaar met een handdoek, wachtend op het aankomende drama. Maar het gladde ijs was dik genoeg en het is dit kleine succes dat haar het zelfvertrouwen gaf om de falafelroof te ondernemen.
Althans, dat denk ik dan. Of iemand – mens of poes – zelfvertrouwen heeft, kun je maar deels aflezen uit hun gedrag en dan is er altijd sprake van projectie, wensdenken en verkeerde interpretaties. Ik voorspel alleen dat het niet lang gaat duren voordat de schutting wordt geslecht. Een sprong wordt beraamd. Dat zie ik aan het gewiebel op de stapel stenen vlakbij de schutting. De aanzetten die ze maakt met haar lichaam, zoals tennissers vlak voordat ze serveren eerst een paar keer omhoog kijken en dan pas de bal slaan.
‘Binnenkort’, mompelt mijn vriendin als ze het gadeslaat. Stoom komt van haar beker thee af.
‘Een dezer dagen’, zeg ik.
En dan? Dan kan ik ze niet meer zien.