Van de schipper mogen we niet overvaren. We zijn in Millingen aan de Rijn, hier gaat geen brug het water over, alleen een veerpont en die ligt voor anker. Een geldkwestie. Hij krijgt te weinig. ‘Dat vindt hij zelf dan’, zegt de eigenaresse van de Bed & Breakfast waar we slapen.
‘Het is een beetje een lastige man, al kan ik het wel goed met hem vinden.’ Haar man wil ons, voor een kleine tol, de volgende dag wel met de auto afzetten aan de overkant, zodat we daar onze wandeling kunnen vervolgen.
Aan de overkant, wandelend langs een eindeloze dijk met daarnaast een nog eindelozere opslag aan enorme stalen buizen, moet ik aan de niet varende veerman denken. Hoe lang kun je stil blijven liggen? Hoe lang duurt het voordat je in al je massieve koppigheid wel moet bewegen?
Voor ons is dat vandaag geen probleem, wij hebben de vaart erin. We marcheren over de heuvelrug, door het bos, over de zandverstuivingen. Langs dagjesmensen en andere wandelaars. We zeggen niet ‘aan de kant’, maar we denken het wel.
Aan het eind van de middag komen we aan in Braamt, een dorp zonder supermarkt of café maar met een bushalte. Daar wachten we bij een weiland in een glazen hokje tot hopelijk, over een uur, de bus komt.
Enkele minuten later stopt een deeltaxi bij de vluchthaven honderd meter verderop. Hij wil ons meenemen zolang we het niet tegen zijn baas vertellen. Geld wil hij niet hebben. Wél wil hij weten of we voor de wolf zijn. Nog voor we antwoord kunnen geven zegt hij zelf van wel, de wolf hoort er gewoon bij. ‘Honderden kilometers loopt hij. Niet te stoppen. De natuur hou je niet tegen.’ Of hij dan GroenLinks gaat stemmen? Nee, dat is hem te radicaal, hij gaat voor de drie B’s.
