In de bergen van Bosnië dacht ik aan Nederland. Voordat ik aan Nederland dacht, eiste de weg mijn volledige aandacht. Die was namelijk onverhard, vol kuilen en met aan één zijde een steile afgrond.
Journalist Tim Butcher schreef over rijden in Bosnië: ‘een aantal van de wegen waar ik als oorlogscorrespondent had geworsteld, onttrok zich aan elke beschrijving.’
De Bosniërs zelf zijn overigens niet onder de indruk van dit soort veredelde karrensporen. Voor vertrek vroegen we aan onze host hoe de weg naar boven was. Hij keek naar onze auto en zei: normal car no, Dacia Duster no problem. Dat Bosnische adagium herhalen we regelmatig als we door elkaar worden geschud door een enorme kuil: Duster no problem.
Na ruim een uur hebben we de aangegeven 15 kilometer afgelegd. Dan versmalt de weg en kunnen we wandelend verder.
We worden getrakteerd op een waanzinnig uitzicht over de pieken van de Dinarische Alpen. Dit is wat de Bosniërs een vukojèbina noemen: een plek waar de wolven neuken, een totaal afgelegen oord. We wandelen over een weide met een bijbelse hoeveelheid sprinkhanen. Ze schieten voor ons over het pad als saluutschoten bij een eervol onthaal. En dan zijn er nog de bijen en vlinders. Ontelbaar veel bijen en vlinders. Ja, deze plek heeft iets bijbels, maar in de paradijselijke zin.
Waarom ik als Nederlander niet gewend ben aan een dergelijke weelde is bekend. Wij leven onder het juk van te grote stikstofdeposities, oftewel: een teveel aan stront. Blauwalg doet het goed bij ons, de strontvlieg ook; we hebben genoeg luizen, omdat die geen natuurlijke vijanden meer hebben; duiven, omdat onze steden lijken op de rotsige gebieden waar ze oorspronkelijk vandaan komen; en een grote hoeveelheid muizen en ratten die graag knabbelen van al het eten dat we laten slingeren. We hebben simpelweg te weinig vukojèbina en als er al een wolf komt die het waagt om te neuken, willen we hem zo snel mogelijk afschieten.
En zo kan schoonheid ook de gedachte aan het tegenovergestelde oproepen. We wandelen lang genoeg om de gedachten aan Nederland te laten oplossen. En we zwemmen. We denken een wolf te horen.
Op de terugweg, over dezelfde hobbel-de-bobbel-weg, maar nu naar beneden, leest mijn vriendin voor wat er op Google Maps over deze weg staat: it’s a torture for your car. Ik denk aan een Zwitserse bergpas, met vangrails en waarschuwingsborden en asfalt zo glad dat het aaibaar is. Hoe erg ik daar naar verlang en hoe erg ik hoop dat het hier nooit wordt aangelegd.