zelfisolatie dagboek – woensdag 18 maart

Iemand die ik lief vind vroeg vandaag of ze bij mij mocht stofzuigen. Dat bedoel ik op geen enkele manier pervers of seksueel, ze vroeg gewoon of ze mocht stofzuigen. Er lagen namelijk kruimels op de vloer en die plakten aan haar blote voeten als ze door mijn huis liep.



Omdat ik deze weken thuiswerk had ik de schoonmaakster afgezegd. Ik was in de veronderstelling dat thuiswerken zou leiden tot meer huisvlijt, maar dat bleek niet zo te zijn. De schoonmaakster kwam niet, en de schoonmaakster in mij kwam niet naar boven.


Maar ik zei: nee, je mag niet stofzuigen. Uit de kast pakte ik een paar dikke sokken voor haar blote voeten. Nu schaatst ze op sokken door het huis, wachtend tot ik de stofzuiger pak.

zelfisolatie dagboek – dinsdag 17 maart

Venus stond aan de hemel gisteravond. Dat is misschien wat gek om te melden, maar het was toch echt zo. Ze scheen fel, alsof ze een eigen ster was, en je kon haar tussen de nog kale boomtoppen door zien flikkeren. Het was op Venus net zo heet als altijd. Ze had geen flauw idee wat er op planeet Aarde gebeurde, zo’n tientallen miljoenen kilometers ver weg. Het zou haar ook niet uitmaken, ze draait haar rondjes om de zon zoals ze dat altijd doet. Dezelfde zon die haar langzaam frituurt omdat ze regelmatig te dichtbij komt. 



Ik vond troost in de gedachte van Venus die dichtbij komt en weer weggaat. Zoals ik ook weet dat afstand bewaren nu het belangrijkste is, hoe koud dat ook voelt. Het enige dat daarvoor nodig is, is erop te vertrouwen dat we straks als vanzelf weer dichterbij elkaar komen.

zelfisolatie dagboek – maandag 16 maart

Gisteravond heb ik mezelf uit een appgroep verwijderd waar ik even daarvoor aan was toegevoegd. 21 days of abundance heette de groep en elke dag zou ik een meditatie krijgen die ik binnen 24 uur moest uitvoeren. Let op: ik had niet gevraagd om in deze groep terecht te komen, maar volgens het bericht moest ik de coronacrisis zien als een kans om te groeien. Spiritueel opportunisme, alsof de dominee zich via mijn telefoon aan me opdrong.



Enfin, ik verwijderde mezelf uit die groep. Liever was ik nog even de brompot, de zeurpiet, het chagrijn, de man in ontkenning van de leegte die voor hem ligt. Laat staan dat ik me in die leegte wilde dompelen. Nee, vandaag ben ik nog in denial. En dat houdt pas op wanneer mijn zitvlees pijn begint te doen.

rood en hoogpolig

Zondagochtend ging ik naar de bioscoop voor een voorstelling van Honeyland. In het filmhuis lag dik, rood tapijt dat voelde als sneeuw onder de voeten. Net als bij sneeuw heb je stukjes waar al mensen hebben gelopen en stukjes maagdelijk tapijt, waar jouw voetstappen de eerste zijn. En ook net als bij sneeuw, ga je als vanzelf zachter praten als je er overheen wandelt.


Ik zweeg me een weg naar de foyer, waar een vrouw een oudere man aan het bedienen was. Ze zocht de slagroom. Die is heel lekker, zei ze, maar Cindy verstopt hem altijd. Na wat gerommel toverde ze een enorme bus tevoorschijn die ze royaal over het kleffe taartje spoot.
O, zei ze, nu ben ik vergeten te vragen of u de slagroom erop of ernaast wilde.
Allebei, zei de man. De slagroom zat overal, zelfs aan de zijkant van het bordje, dus dat was het beste antwoord.



Heeft u iets te vieren, dat u taart neemt? Ging de vrouw verder. Ze likte haar slagroomvingers af. Niet dat u geen taart mag nemen of iets te vieren moet hebben, maar ik ben gewoon nieuwsgierig.
Het is heel simpel, zei de man, je moet gewoon positief blijven. 

Dat is waar, zei de vrouw, maar dan moet dat wel ín je zitten. Ze maakte een beweging met de slagroombus naar haar borst. Het tuutje van de bus raakte haar borst.
Ja, ach, zei de man. Hij was inmiddels begonnen aan het taartje en zat nu ook onder de slagroom.

Ik hoef geen appeltaart meer, hoorde ik mezelf denken, ik hou het bij koffie. In mijn hoofd oefende ik alvast wat ik kon zeggen als ik aan de beurt was: nee, zonder melk. Ja, dat weet ik zeker.


Er wandelde een andere vrouw achter de balie. Cindy, stond er op haar naambordje. Ik bestelde vlug een koffie bij haar en Cindy ging in de weer met de schwung waarmee een barista dat ook doet. Ik zag nu pas dat de andere vrouw geen naambordje had. Zij ging verderop wat opruimen. Er rinkelde glas en er viel een doosje op de grond. Ik hoorde haar gedempt godverdomme zeggen. Misschien wilde ze het hardop zeggen, maar had het rode, hoogpolige tapijt nu ook zijn dempende invloed op haar.


Na afloop van de film stond de naamloze vrouw bij de uitgang. Ze zei de bezoekers gedag. 

Wat vond je van de film, vroeg ze. 

Ja, ging wel, zei ik.

Ah mooi, ik was al zo benieuwd wat je er van zou vinden.

Cindy stond buiten een peuk te roken. Ze drukte ‘m uit onder het zadel van een fiets.

de filosofie van de zwerver

Zelfs een zwerver zit wel eens ziek thuis. Dat wist ik ook niet. Ik kwam er per toeval achter door zwerver Willem. Hij was al een tijdje niet op straat gesignaleerd en direct gingen er geruchten rond over zijn overlijden. Hij zou in het water liggen. Nee, hij zou zijn aangereden door een dronken bestuurder – de ironie! Of nee, het was toch een nare ziekte. Zelfs het lokale krantje berichtte erover.


Een paar dagen na zijn vermissing dook Willem doodleuk op in de binnenstad, met een blik bier in zijn hand en een nieuwe jas om zijn schouders. Een paar kilo lichter, dat zag je wel aan hem, maar verder was hij zijn vertrouwde zwervende zelf. Hij had alleen even ziek thuisgezeten.

Waar hij nou precies had verpoosd, bleef me onduidelijk. Zoals wel meer onduidelijk bleef over Willem. Alleen als je hem zag, bestond hij. Als hij er niet was, betekende dat niet dat hij er niet meer was, hij was alleen niet op die plek op dat moment. Willem anticipeert niet op de verwachtingen die wij van hem hebben. Dat is zijn zwerversprivilege: hij hoeft aan niemand meer te laten weten waar hij is. Of daar ook maar op enige manier rekening mee te houden.


Zonder het bestaan op straat te romantiseren alsof Willem een soort Douwe Dabbert met knapzak is die door de landerijen trekt, – het zwervende bestaan is ontzettend zwaar – schuilt er een simpele logica in de zwerversfilosofie.
Je hebt honger, dus je zoekt een maal. Je hebt dorst dus je drinkt. En als de schemer valt ga je op zoek naar een slaapplek. Alles wat eventueel zou kunnen gebeuren is niet relevant, evenmin zijn de verwachtingen die je erover hebt belangrijk. De dingen gebeuren, of ze gebeuren niet. Verder vooruitkijken heeft weinig zin.

De twee keer dat ik Willem ontmoette maakte ik kort kennis met de zwerversfilosofie. De eerste keer was op mijn verjaardag in de zomer, ik wandelde met een volle krat bier terug naar huis en Willem rustte wat in de schaduw van een huis. Ik bood hem een flesje aan. Hij zei dat het niet zijn lievelingsbier was, maar dat hij wel dorst had. Met één grote teug leegde hij het flesje en zette het daarna terug in de krat.


De tweede keer dronk ik zelf bier in een café en wandelde Willem binnen. Er was een besloten feest gaande en hij bestelde een pilsje. Het was wederom niet zijn lievelingsbier, maar het was warm die dag en hij had dorst. Zijn flitsend gekleurde legging stak fel af tegen alle grijze colberts van de andere gasten. We kletsten wat over koetjes en kalfjes. Ik vond het leuk dat hij er was, maar na een biertje moest hij wegwezen van kastelein. Hij morde niet, maar stiefelde ontspannen naar buiten. De dorst was gelest, voor nu.


Toen ik gisterenavond in een piekerige bui op de bank zat, dacht ik terug aan de zwerversfilosofie. Ik hield me bezig met dingen die al dan niet zouden kunnen gebeuren, iets dat een volleerd zwerver niet zou doen. Na een poosje te hebben gemarineerd in minder effectieve gedachten, trok ik mijn jas aan en sjokte ik de straat op. Onzichtbaar kleine druppeltjes koude regen miezerden op mijn gezicht. De meeste mensen zaten binnen. Ik ging me al vrij snel zielig voelen en wilde terug naar huis. Ik dacht aan Willem. Waar zou hij nu zijn? En had hij ook last van dergelijke gevoelens? Ik vermoedde van niet. Het regent, dus hij schuilt. Waar hij straks naar toe zal gaan? Dat doet er nu nog niet toe.

strepen

Gistermiddag in Utrecht. Een man trekt met een rolkarretje witte lijnen op de straat bij Hoog-Catharijne. Een lappendeken van tegels en beton wordt door de strepen bijeengetrokken, zodat het duidelijk is waar je wel en niet mag gaan; hier houdt het ene op en begint het andere. Veel helpt het niet, het blijft een warboel op straat en mensen lopen dwars over de zojuist getekende grenzen heen.

Ik herinner me de terreinknecht van mijn oude voetbalclub. Op zaterdagochtend trok hij de krijtlijnen rond het veld, zodat je niet verdwaalde in de weide en per ongeluk in een andere wedstrijd belandde. Als hij zich had verslapen, en pas vlak voor de wedstrijd in alle haast de lijnen had getrokken, stond de cornervlag soms een meter verder van het doel af.

Eerder deze week zei iemand me dat de jaren ’20 voor de deur staan. Hij zei het alsof er een markerende streep in de tijd stond. Een nieuw decennium. Ik had er niet eerder zo over nagedacht en ik denk dat vrijwel niemand in deze termen over het nu nadenkt. Een decennium laat zich pas ver na afloop duiden en eigenlijk ook dan pas voelbaar maken door iets wat we nostalgie noemen.

Ook al kunnen we het nu niet duiden of markeren, toch hangen we de hele tijd de lijnrechter uit. Kijk maar naar de kringetjes die we met zelfverzonnen woorden om groepen mensen zetten: vuurwerktokkies, luchtvluchtelingen, plunderpubers. De top drie bij de woord van het jaar verkiezing van Van Dale bestond zelfs volledig uit zulke constructen: boomers, klimaatspijbelaars en klimaatdrammers waren respectievelijk de nummers één, twee en drie in de uitslag. En dan kenden we al de treitervloggers, taalnazi’s en, vergeven maar niet vergeten, de blokkeerfriezen.

Ik verwacht niet dat we op korte termijn stoppen met het verzinnen van nieuwe woorden, het is veel te leuk namelijk. Ik hoop vooral op een creatieve uitbarsting in de jaren ‘20. Wees gevat en rijk met je taal, niet lomp en kwetsend. Want ik heb echt geen zin om je komend jaar een taalterrorist te moeten noemen.

schoenendoos

Een vriend vertelde me dat hij een dode kat had gevonden. Hij vond hem in de schuur waar hij in een hoekje tegen de verwarmingsketel aan lag gekruld. 

‘Dat doen ze wel vaker, als ze gaan sterven’, zei hij, ‘dan zoeken ze een rustig plekje op.’
Maar dat de kat was gestorven in de schuur was natuurlijk eerder een gevolg van het in het vastzitten in die schuur, die al twee maanden niet was geopend, dan dat het een vooraf gekozen plek was om te sterven.



Via wat belletjes kwam mijn vriend de eigenaar op het spoor, een achterbuurman, die was hem al vanaf augustus kwijt was en hem meteen kwam ophalen. Voor de vorm had mijn vriend de kat in een schoenendoos gedaan, met een dekentje over zijn dunner geworden vacht. Dat zag er wat warmer uit. De eigenaar vertelde dat zijn kat een eigen Instagrampagina had, met al 400 volgers. 

‘Die ben ik nu allemaal kwijt’, zei hij. Zijn lip begon te trillen. 
Hij nam nog een laatste foto en schoof toen de deksel op de schoenendoos. De kat was inmiddels al een beetje gaan stinken.


Dat beeld van de kat tegen de verwarmingsketel deed me denken aan mijn eigen poes die drie jaar geleden overleed. De dag dat ze doodging was het net als vandaag weer om bij te janken en ook ik plaatste een foto op Instagram, voor mijn 35 volgers. Maar het was niet de foto die het beeld vormde van de herinnering. Het was die verwarmingsketel, en het naar warmte en veiligheid zoekende dier. 



Daags voor ze overleed kwam ze ’s nachts onder de dekens gekropen. Dat had ze nooit eerder gedaan en ik had het ook nooit eerder toegestaan, maar iets in mij liet het nu wel toe. Toen ze bleef liggen terwijl ik opstond, heb ik haar in een mandje naar de dierenarts getild, een dekentje over haar ruw geworden vacht en ik wist dondersgoed dat ik haar niet meer mee naar huis zou nemen.

laatvlieger

In de trein, na mijn werk, plof ik neer op het laatste vrije plekje. De jongen op de andere stoel zit te schrijven in een notitieboekje. Hij is zichtbaar geschrokken door mijn ietwat lompe plaatsname en krult zijn lichaam over zijn woorden.



Als je je gedachten aan het papier toevertrouwt, kun je geen pottenkijkers gebruiken, dat begrijp ik wel. Ik haal mijn laptop tevoorschijn, om zowel de jongen als mezelf gerust te stellen en tik wat woorden op het scherm.


‘De laatvlieger is een vleermuissoort die zo wordt genoemd, omdat hij later uitvliegt dan zijn collega vleermuizen. Ik had dat gehoord bij Vroege Vogels en vond het een mooi idee, een dier noemen naar zijn ritme, een beetje zoals wij elkaar een avondmens, of een uitslaper noemen, een luilak soms zelfs.’

Zuchtend zakt de jongen achterover, blijkbaar heeft hij alles wat hem dwars zat neergepend. Ik kan het niet laten. Ik moet kijken naar zijn tekst. Maar die is niet zichtbaar, zijn hand ligt nog op het papier. Zijn schouderophalende zuchten doen vermoeden dat hij een flinke last meedraagt. Ik tik verder.


‘De vlieg is het enige dier dat is genoemd naar zijn voornaamste manier van bewegen: vliegen. Paarden noemen we geen renners, vissen geen zwemmers. We kennen wel renpaarden en werkpaarden, maar die hebben we eerder al gekwalificeerd als ‘paarden’. Een vlieg doet natuurlijk meer dan vliegen. Hij landt op drollen, wast zijn pootjes als hij gevangen zit achter een raam en wandelt over wijnglazen. Maar wij noemen hem vlieg.’ 



De jongen is in zijn jas gekropen, zijn gezicht is nu helemaal aan het oog onttrokken en zijn verhaal ligt open en bloot op de klaptafel. Een rond, net handschrift zonder doorgekraste zinnen. Als je wil spieken moet je het nú doen. Maar ik weet me nog net te bedwingen. Sommige verhalen kun je beter zelf verzinnen, zeg ik tegen mezelf om mijn nieuwsgierigheid te sussen.

‘Een zwartkijker is iemand die de zaken somber inziet. Maar als het donker is in je, kan het juist wel handig zijn als je het zwart in kunt kijken. Dat je kunt zien wat daar is. Zoals dat als je maar lang genoeg je ogen openhoudt in een donkere kamer, je precies kunt zien waar alles zit; de deur, de kast, de bedrand. En het zwart opeens wat minder zwart is.


Vleermuizen hebben hun eigen manier van kijken in het zwart. Ze zijn praktisch blind en gebruiken sonargeluiden om de omgeving te leren kennen, toch bewegen ze zich op precies het juiste moment de nacht in, nooit te vroeg, nooit te laat, maar soms wel als laatste.’

vergeten

Omdat ik een nachtmerrie had, was ik al wakker voordat de wekker dat was. Zacht gebrom van de koelkast in de keuken kwam door een kier de slaapkamer binnen. De avond ervoor had ik de deur een stukje open laten staan, dat doe ik soms wel eens. Een nachtmerrie dus, maar ik wist niet meer hoe ze liep. De deuren naar de droomkamers waren al bijna dicht toen ik ontwaakte. Alleen een haastig gevoel bleef over.

Ik was iets kwijtgeraakt in mijn droom, dat wist ik nog wel. Ik was iets kwijtgeraakt, alleen wist ik niet meer wat. Met alle moeite probeerde ik te zoeken naar sporen in mijn gedachten, maar hoe harder ik achter de flard herinnering aanrende, des te verder raakte het van me weg. Ik was iets kwijtgeraakt en ik zou het niet meer vinden.

Tijdens het ontbijten, met koffie op het bureau, muziek zachtjes pruttelend door de speakers, leek dat wat vergeten was niet meer zo relevant. Ach, zei ik tegen mezelf, een gedachte is niet meer dan een stroomschokje, dat weet ik nog van de colleges neuropsychologie. Ik zei het hardop, want dan was het meer waar.

Ilja Leonard Pfeijffer schrijft in zijn laatste roman, Grand Hotel Europa over vergeten: ‘wie zich niet alles herinnert wat hij wil vergeten, loopt het risico dat hij bepaalde zaken vergeet te vergeten.’ Vervelende gedachten blijven terug komen om te spoken, omdat ze niet goed zijn vergeten. Blijkbaar is vergeten iets dat je bewust kunt doen, maar daarvoor moet je je wel herinneren wát je wil vergeten.

Onthouden om te vergeten. Of in ieder geval, dat wat vergeten dient te worden nog één keer kraakhelder in beeld brengen, voordat het in de gedachtenvernipperaar gaat. Een beetje zoals je een boodschappenlijstje schrijft. Zodra je de boodschappen op papier zet, vergeet je onmiddellijk wat je nodig hebt. Gelukkig heb je daar dan dat lijstje nog voor.


Op de universiteit, tijdens een werkgroep over dromen, zei een docent me ooit: ‘schrijf je dromen meteen op als je wakker wordt. Wacht er niet mee, doe het direct.’ Het maakte volgens haar niet uit wat je nog wist, als dat wat je nog wist maar op papier kwam. Dan kun je ze daarna rustig vergeten. Vandaar dit stukje, voor ik vergeet te vergeten.

nae bothers

Het is warm vandaag in Schotland. ‘De laatste zomerdag, maak er wat van’, zei de receptioniste van het hotel nog voor ik de deur uitging. Ik had een boekje meegenomen waar ik niks uit zou gaan lezen.
‘Ik hoorde het’, antwoordde ik. ‘De voorspellingen. Alleen maar regen na vandaag.’
Nae bothers’, zei ze terug. Wat zoiets betekent als: geen zorgen. Het is de laatste zomerdag, maar daar gaan we niet melancholisch over doen.

Ik ga zitten op het gras. Krijsende meeuwen overstemmen het rustige gekwebbel van de mensen die hier ook liggen. Stelletjes vooral, mannetje en vrouwtje en het mannetje iets dikker dan het vrouwtje. Buiken en gladde schedels als kale heuvels boven het groen uitstekend.

De pub die aan ons hotel vastzit loopt ondanks het mooie weer al vroeg vol. Meisjes met strakke topjes (vaak met hun moeder) komen als eerste binnen. De mannen, met spijkerbroeken en t-shirts (vaak van een voetbalclub), volgen later. En daarna ook wij.

‘Hoe kan een land zo mooi zijn en de mensen zo lelijk?’, vraagt mijn vriend C vanaf ons tafeltje bij het raam. Buiten schijnt de zon nog over de heuvels en het water, maar als drinken je hobby is, moet je naar binnen.

Bij ons is het precies andersom, denk ik. Het land is één groot rijtjeshuis, maar de mensen zien er goed uit. Op het terras, in de volle zon, zitten we prominent in de etalage. Een pub is juist een plek om je te verstoppen.


In de namiddag wandel ik aangeschoten weer naar buiten. Het gras is een beetje vochtig geworden en behalve de in het zwerfvuil rommelende meeuwen is er niemand meer.
 We zijn niet zo veel anders, die meeuwen en ik. Altijd zoekend naar iets beters. Denkend dat er in de volgende verpakking iets lekkerders zit. En dat betekent dat je elke frietbakje moet omdraaien om dat zeker te weten.

De volgende ochtend hangen er dikke wolken boven de baai. We ontbijten om de hoek waar de plakken spek de dikte hebben van een klein tijdschrift. Ze liggen op een stapeltje pannenkoeken, badend in ahornsiroop.
‘Misschien zijn de varkens hier dikker, en als je die veel eet, word je dat vanzelf ook’, zeg ik.
‘Ik ga sowieso meer eten in donkere maanden’, zegt C.

Na het ontbijt rijden we over een kronkelweggetje naar het noorden. Het wordt alleen maar mooier en het wordt alleen maar dreigender. Regendruppels als de eerste dikke tranen van een huilbui op het raam.
‘Het hoort er wel een beetje bij hè, dat slechte weer’, hoor ik iemand zeggen, misschien ikzelf wel. En niemand antwoordt als de bergen de horizon in beslag nemen.