donderdag 15 december

De poes roofde een balletje falafel van mijn bord. Zo hap-slik-weg. Het ging zo snel dat het bewijsmateriaal al was verorberd voordat ik kon reageren. Van een veroordeling of straf kon geen sprake zijn, ze had zojuist een Oceans Eleven-achtige kraak weten te volbrengen, de volle buit meegenomen en daar kon ik alleen maar bewondering voor hebben. Met grote ogen keek ze naar me en leek ze zich af te vragen waarom mijn mond openstond.

Even daarvoor danste poes nog op het ijs in een ondergelopen plantenbak. Ik stond klaar met een handdoek, wachtend op het aankomende drama. Maar het gladde ijs was dik genoeg en het is dit kleine succes dat haar het zelfvertrouwen gaf om de falafelroof te ondernemen.

Althans, dat denk ik dan. Of iemand – mens of poes – zelfvertrouwen heeft, kun je maar deels aflezen uit hun gedrag en dan is er altijd sprake van projectie, wensdenken en verkeerde interpretaties. Ik voorspel alleen dat het niet lang gaat duren voordat de schutting wordt geslecht. Een sprong wordt beraamd. Dat zie ik aan het gewiebel op de stapel stenen vlakbij de schutting. De aanzetten die ze maakt met haar lichaam, zoals tennissers vlak voordat ze serveren eerst een paar keer omhoog kijken en dan pas de bal slaan.

‘Binnenkort’, mompelt mijn vriendin als ze het gadeslaat. Stoom komt van haar beker thee af.
‘Een dezer dagen’, zeg ik.
En dan? Dan kan ik ze niet meer zien.

maandag 12 december

Mijn huis heeft geen kerstversiering, constateer ik als ik door de buurt wandel. In hagen, struiken en bomen knipperen kerstlichtjes, achter ruiten staan kerststerren en in de tuin op het verste punt van mijn wandeling sta ik oog in oog met een opblaaskerstman. Het bewijst mijn impressie dat kerst geen feest is, maar een hobby.

Ook al is het niet mijn hobby, ik kijk er graag naar. Zoals ik ook geen zandkastelen bouw, maar wel graag de creaties aanschouw op het strand. Of soms, in een boze bui, liever laat verkruimelen onder mijn voeten.

Vanavond is het extra mooi, want er is bijna niemand op straat. Alle lichtjes zijn voor mij en zelfs de sterren zijn deze heldere nacht extra fris aan het blinken. Het is fijn dat mensen de moeite hebben genomen mijn wandeling zo te versieren en daarin geen acht slaan op de hoge energieprijzen. Een gul cadeau, geheel volgens de kerstgedachte.

donderdag 8 december

Een van mijn meer overzichtelijke verslavingen is het kijken van het WK. Na het allerlaatste fluitsignaal van het toernooi kick ik onmiddellijk af om vier jaar later van voor af aan te beginnen. Pogingen tot matigen werken niet. En dat is een teken van verslaving: meer tot je nemen dan je eigenlijk wil. Mijn oplossing daarvoor is dat ik heb besloten net zoveel voetbal te willen kijken als ik tot me neem, waarmee ik de verslaving reduceer tot liefhebberij. Ik raad dit overigens alle verslaafden aan. Zo lang je zelf heel graag iets wil gebruiken en daar openlijk voor uitkomt, kan men je hooguit obsessief noemen.

Het voordeel van stoppen schijnt me deze twee wedstrijdloze WK-dagen wel toe. Het lukt me om iets te schrijven. Alle pogingen daartoe waren kansloos de afgelopen weken. Er stond altijd wel iemand te voetballen en ik kon niet nadenken met goals op de achtergrond.
Met nog maar zeven wedstrijden te spelen (vier kwartfinales, twee halve en de eindfinale), ben ik niet bang voor cold turkey afkickverschijnselen. Deze verslaving is helemaal niet afgelopen. Er zit alleen vier jaar tussen het volgende gebruik.

woensdag 7 december 2022


Ik stond samen met een collega voor een kuip met pepernoten in de kantine. Morgen zou daar afscheid van worden genomen. Samen met al die andere bakken pepernoten die door heel Nederland in kantines en op balies stonden, zouden ze verdwijnen in de kliko.

Ik deelde mijn theorie dat er jaarlijks meer pepernoten worden weggemieterd dan opgegeten. Je hoefde namelijk geen smetvrees te hebben om koude rillingen te krijgen bij een graai uit een bak pepernoten die weken op de kantinetafel staat.
Voor suikermuizen gold het tegenovergestelde, vulde mijn collega aan, want die waren los verpakt. Ook al konden we niet bewijzen of de theorie klopte, de voorspellende waarde die er vanuit ging gaf ons een lekker gevoel.

Later die dag keek ik met vertraging de wedstrijd tussen Marokko en Spanje. Mijn huisgenoot had de tv op pauze gezet tot ik thuis was en samen keken we naar de verlenging en penalty’s. Nog voordat de eerste penalty was genomen, vertelde het vuurwerk in de buurt ons al dat Marokko had gewonnen.

Tussen de knallen door mikten de Spanjaarden de ene na de andere penalty in de handen van de keeper. We hobbelden achter de tijd aan, maar dat was allerminst saai, het gaf eerder een vertrouwd gevoel. We keken naar het heden met voorkennis en zagen van een afstandje hoe dat wat al gebeurd was, daadwerkelijk gebeurde. Toen onze wedstrijd klaar was, was het vuurwerk helaas ook al gestopt.

30 november 2022

Vorige week werd ik – niet voor de eerste keer – geconfronteerd met het feit dat ik geen jongere meer ben. Ik was niet aan het klagen over de jeugd van tegenwoordig, dat niet, maar ik kon niet begrijpen waarom mijn studenten zo moeilijk te porren waren voor een duurzaamheidsproject. Ze reageerden lauwtjes bij de aftrap.
‘Moeten wij de shit opruimen van de vorige generaties? Dacht het niet, ik wil van het leven genieten.’ En: ‘De wereld gaat toch wel kapot, waarom zou ik daar nog iets aan gaan fixen.’

Dergelijke reacties had ik verwacht van oudere mensen, die meer leven achter de rug hadden om verbitterd over te zijn. Maar misschien was het ook naïef van mij dat ik alle hoop op het redden van de wereld op een volgende generatie projecteerde. Dat is nu juist wat we al tijden doen en dus waren de reacties van de studenten niet meer dan terecht.

Ook ik was onbewust mijn hoop aan het uitbesteden aan mensen die na mij kwamen. Het is veel logischer en eerlijker om alle huidige generaties tot actie te manen. En dus ben ik me maar weer als een jongere gaan gedragen en aan het schoppen tegen de oudere generaties. Ik zou bijvoorbeeld kunnen zeggen: ‘als je nu niet je stinkende best doet om duurzaam te worden, dan ben je gewoon medeplichtig.’ Waarschijnlijk schop ik daarmee tegen de schenen, maar krijg ik niemand in beweging. Beter is het om het mensen makkelijker te maken om goede keuzes nemen. Of: het mensen onmogelijk maken om de verkeerde te nemen. Daarbij mogen studenten ons dan helpen, en wij hen. Dat lijkt me al een stuk realistischer.

13 november 2022

Ongeveer evenveel honden als mensen waren afgekomen op de zonsondergang bij de zwemplas. Dat kwam met name door twee vrouwen die een roedel hondjes bij zich hadden. We schatten dat het er veertien waren. Het was moeilijk tellen, want telkens als de groep compleet was, dwaalde er een hondje af, waardoor de vrouwen constant rondrenden om de groep bij elkaar te houden.

We keken vanuit het water toe hoe ze passeerden. Dat ging nog best snel, want het was koud in het water en we lagen er niet lang in. Tegen de tijd dat we bij de handdoeken kwamen, was het geblaf opgegaan in het geluid van de ruisende snelweg in de verte. Het oranje-roze licht begon zich terug te trekken voor de donkerte. Een man met een hardroze Speedo wandelde nog snel het water in. Hij zou nog wel even zichtbaar blijven.

Iedereen was nu het water uit en drone en een meeuw deelden de lucht boven de zwemplas. Gezoem, geruis, wolkjes damp uit onze monden.
‘We hadden thee mee moeten nemen.’
‘Dat hadden we moeten doen.’
En toen was het donker.

1 november 2022

Een groot deel van de herfstvakantie heb ik besteed aan het aanleren van trucjes aan de poezen. Operante conditionering noemen we dat in vaktermen. Bij het commando ‘draai’, draaien de poezen om hun eigen as en krijgen dan als beloning een snoepje. Inmiddels hebben ze het commando niet meer nodig en beginnen ze spontaan met draaien als ik binnenkom. Als een spuitende tuinslang zonder handen er omheen schieten ze door de woonkamer.

Ik dacht daar vandaag over na, omdat ik vandaag twee jaar werk als leraar en me afvroeg hoe geconditioneerd ik al ben in die rol. Bij binnenkomst knik naar de collega’s achter de balie, zwaai door de ramen van een lokaal naar iemand, neem een graai uit de bak met koffiemuntjes en wandel naar het apparaat dat koffie voor me zet. Mijn pas steeds een beetje versnellend tot de geur van koffie mijn neus bereikt. Volledig getraind verricht ik al die handelingen voor een bakje.

De poezen zijn snellere leerlingen dan ikzelf. Ik heb er een paar maanden over gedaan om niet alleen te zeggen dat ik als docent werk, maar me ook zo voelde. Tot ik zodanig gewend was dat ik studenten spontaan vragen begon te stellen in plaats van ze dingen uit te leggen die ze al wisten. Ik had daar dan weer niet de beloning van een zalmstick of stukje gestoomde makreel voor nodig.

Samen met de poezen maak ik me op voor hun tweede commando, ‘zit’. Vooralsnog beginnen ze te draaien als het snoepzakje tevoorschijn komt en ik ‘zit’ zeg. Als docent zou ik deze casus mooi kunnen gebruiken. Want is het dan mijn commando, of het geritsel van het zakje dat de poezen laat draaien?

donderdag 27 oktober – oostende

Het appartement ruikt zoals de andere appartementen. Het ruikt naar strand en oude vakanties. Ik heb het gevoel hier eerder te zijn geweest, maar dat kan niet. Ik heb Oostende niet eerder bezocht. Maar zoals elk café herinneringen omhoog brengt aan eerdere cafébezoeken – je hoeft maar de drempel over te stappen -, wandelen nu herinneringen bij mij naar binnen aan vroegere vakanties aan zee. In het flatje van mijn opa.

‘Ik ben hier eerder geweest’, zeg ik tegen mijn vriendin.
‘Je bedoelt in Oostende?’
‘Dat niet, maar in de buurt.’
‘Heb je de banken gezien? Deze mensen hebben smaak.’ Ze wijst naar de lichtgroene banken, een soort poeven, die aan weerszijden van het appartement staan en laat zich er sierlijk in landen.

Ik zet een raam open om de zee te horen, maar alleen stadsgeluiden waaien naar binnen. De meeuwen zijn stil. Aan de overkant van ons appartement ligt Hotel du Parc. Nergens branden lampen, maar het is nog steeds prachtig. Het wordt verbouwd, lezen we later op een briefje op de deur en dat stelt mij gerust.

We trekken erop uit en passeren de bar waar Marvin Gaye zich ophield toen hij hier verbleef. We vragen ons af wie de Marvin Gaye van deze tijd is en of die hier nog steeds naartoe zou komen. We weten het niet.
Heden en verleden lopen hier door elkaar. Er zijn meerdere schrijvers en kunstenaars die in Oostende verbleven. Proust, Ensor en Nabokov, om er maar wat te noemen. Je kunt vanaf het vaste land niet verder westelijk dan Oostende, of je moet de zee in (of over). Daarom verzamelden hier mensen die iets probeerden te ontvluchten, mensen met een verhaal, maar ook mensen op zoek naar inspiratie, zo is het idee. En men kwam voor het licht dat zo mooi schijnt over de Noordzee. Dat laatste is nog steeds zo.

‘Het blijft een rare plek, dat strand, dat podium van zand, die laatste drempel’, zei Koen Peeters. Hij schreef een boek over de kunstenaars in Oostende. Ik moet daaraan denken als we op de laatste dag van ons heerlijke weekend nog een keer over de boulevard wandelen. Het is maandagochtend en alles is gesloten. De winkels, de cafés, de gordijnen. De muur van bebouwing aan onze rechterkant. En de zee en de zilveren lucht, alles open, op links.

Léon Spilliaert (1909) – Strand en dijk te Oostende

dinsdag 18 oktober

Ik lig in bed en het is donker en stil. Zo donker en stil dat ik me afvraag waar ik ben. Door de muren heen klinkt verstomd de staartklok van de buurvrouw en dan besef ik dat ik in mijn eigen bed lig. Zeven keer slaat hij en dat betekent dat het vijf over zeven is. De staartklok loopt al zo lang ik hier woon vijf minuten achter, maar doordat ik al wakker ben, heb ik tien minuten gewonnen in de tussentijd. Pas dan piept er een wekker en begint er een dag.

Ergens slaat een hond aan. Hij lijkt dichtbij, maar er wonen geen honden in de straat. Dit is een kattenstraat. In vier opeenvolgende huizen – inclusief dat van mij – wonen poezen en katers. Ik probeer de mijne te vinden met mijn oren. Ze zijn beneden als we slapen, maar af en toe kun je ze horen. Als ze spelen op de plek waar de vloer kraakt. Of als hun rennen plots door een muur tot stilstand wordt gebracht. Dat hoor je ook.

Ik verleng mijn tussentijd door de wekker uit te schakelen. Naast me het zachte gezoem van mijn slapende vriendin. In de verte: het aanzwellende zoemen van auto’s. Ik schuifel naar beneden, zeg tegen de poezen dat ze zachtjes moeten doen. Hun motortjes spinnen stationair. Ik weet niet wanneer ik een ochtendmens ben geworden, maar het is gebeurd.

woensdag 5 oktober

Een vriend die 40 werd kreeg een doos Lego voor zijn verjaardag. Vanaf een bepaalde leeftijd mag je opnieuw gaan legoën hebben marketeers ons verteld en mijn vriend reageerde dan ook bijzonder tevreden toen hij het uitpakte. Tegen zijn vriendin fluisterde ik dat dit het begin is van een hobbyzolder. Inclusief elektrische treintjes en een twee-keer-kloppen beleid.

Mijn eigen hobbyleven verkeert in een crisis. Een van de meer passieve hobby’s die ik heb is Ajax kijken en dat is sinds gisteravond niet meer leuk. Ze werden afgemaakt door Napoli (1-6) en het lijkt een rampseizoen te worden. Ik heb dus een nieuwe hobby nodig. In ieder geval tot het WK begint.

Wat het gaat worden weet ik nog niet, maar de herfst draagt altijd wel iets huiselijks aan wat eerder, onder de versnipperde, vlugge aandacht, geen kans kreeg. Het in leven houden van een desemcultuur bijvoorbeeld, of via YouTube leren hoe ik mijn eigen fiets kan repareren. Of, als ik het echt niet weet, bij mijn ouders een doos lego van zolder halen.