Het restaurant is een kippeneindje lopen vanaf het station. ‘Niks in vergelijking met 40 kilometer op één dag’, grapte ze aan de telefoon. Haar Franse tongval maakt haar Engels zangerig. Ik ben op weg naar Tours om een vriendin op te zoeken. Twee jaar geleden leerden we elkaar kennen toen we allebei de Camino naar Santiago liepen, maar sindsdien hadden we elkaar niet meer gezien. In de tussentijd heeft ze een restaurant geopend. ’En in januari ga ik trouwens een tweede openen’, sluit ze ons belletje af, ‘dan kan ik pas écht geld gaan verdienen.’
Als ik om half 1 mijn rolkoffer over de drempel van het restaurant hijs, mag ik meteen aanschuiven voor de lunch. Haar oma en tante zitten aan de stamtafel en ik moet in allerijl mijn camping-Frans uit de kast trekken. Je parle francais comme une vache espagnole, zeg ik. Ze lachen. Het zal wel goed zitten. Oneliners zijn er voor momenten dat je geen woorden hebt.
Mijn vriendin is overal. Achter de bar, in de keuken, wandelend met borden eten. Ze beweegt alsof ze dit al jaren doet. Haar proberen te volgen is even vermoeiend als het Franse gesprek tussen haar familieleden. Eén moment van onachtzaamheid en ik ben ze kwijt.
Als de lunch het nagerecht heeft bereikt, ben ik definitief afgehaakt. Het beleefde trage kinderfrans is vervangen door grotemensenfrans. De meeste woorden verdwijnen in een klankencarrousel die in mijn hoofd maar door blijft draaien. Als ik dan eindelijk heb bedacht waar het over gaat is het gesprek al een minuut verder.
Ca va Stie-ven? Het is mijn vriendin die de draaimolen stopt. Ze zet een espresso voor me neer.
Ja ja, een beetje moe van het reizen, antwoord ik in het Engels. Fatigué mompel ik er nog achteraan, maar ze is alweer verder naar de volgende klant.
De volgende dagen brengen we door rond het water, in cafés, op de fiets. Overal duiken familieleden en vrienden op. Overal hang ik erbij als een doofstomme. Genoeg kennis om me voor te stellen, te weinig om kennis te maken.
‘Waar schrijf je over?’ vraagt ze, als we aan het water zitten. ‘Over dit’, zeg ik, en ik wijs naar het uitzicht over de rivier. De ruisende bomen en glinsterende water. Maar ik lieg. Ik praat in mijn eigen taal tegen papier dat alleen maar zwijgt.

