zelfisolatie dagboek – vrijdag 18 december

Het kerstdiner vond dit jaar plaats vanuit een digitale kookstudio. Alle 177 collega’s namen plaats achter een beeldscherm in hun eigen keuken terwijl de chef uitleg gaf over de afwerking van de maaltijd. Die afwerking betrof niet veel meer dan het in de oven schuiven van een vis en het op een bordje leggen van het een en ander, waardoor ik het grootste gedeelte van de tijd in beslag werd genomen door de chaos in de digitale kookstudio. Het is een vrij uniek geluid: de klanken van 177 keukens die via je eigen laptop jouw keuken binnenkomen.

Zoals het bij kerstborrels en diners gaat, verlieten de meeste mensen het digitale restaurant op een schappelijke tijd. Een paar hardnekkige collega’s en ik bleven plakken aan de bar. De meesten kende ik nog niet. Er zat iemand tussen van de marketingafdeling, iemand die roosters maakt en nog wat mensen waarvan ik vergeten ben wat ze deden. Toen ook zij de groep verlieten, bleven alleen twee directe collega’s en ikzelf over. We hadden de kerstborrel uitgespeeld, zeiden we trots. Het was inmiddels 10 uur. We lachten. Eerst heel hard, toen iets zachter en toen ook zij ophingen was het plotseling knetterend stil.

zelfisolatiedagboek – donderdag 17 december

Ik klapte mijn werklaptop dicht en de vakantie begon. De komende periode hoeft er niet zoveel, er mag ook niet zoveel. Genoeg ruimte om een slechte gewoonte op te pakken uit de eerste lockdown, zoals de dagelijkse borrel, of zo vaak met de hond gaan wandelen dat de kussentjes onder zijn pootjes slijten en je ermee naar de dierenarts moet.

De gedachte aan al die arme hondenpootjes riep de vraag op wat dan wel te doen de komende tijd. Ik las een artikel waarin deze periode van niksigheid als een geschenk werd omschreven, als een cadeautje van de kerstman. Waar de schrijfster op doelde was precies de reden waarom mensen zichzelf twee weken laten opsluiten in een klooster. Je schijnt er herboren van terug te komen. Maar een retraite in mijn eigen woonkamer stond niet op mijn verlanglijstje, zulke sigaren uit eigen doos kon ik altijd nog opsteken. Bovendien is het beschouwen van vervelende gebeurtenissen als een cadeautje een niveau van zelfbedrog waar ik nog niet aan toe ben.

Ik tuurde naar de groeiende stapel boeken op tafel die inmiddels een wankele hoogte hebben bereikt. Misschien moest ik daar maar eens iets aan gaan doen. Of misschien heb ik het antwoord nog even niet.

zelfisolatie dagboek – dinsdag 15 december

Vandaag zag ik mijn studenten voor de laatste keer in het echt. Ja, 19 januari, dan zouden we elkaar weer mogen zien, maar stiekem hield iedereen al rekening met een langere onderbreking.
‘Ach’, vatte een student de stemming samen, ‘we mochten toch maar één dag in de week naar school, die kan er ook nog wel vanaf.’

Het klinkt cynisch als ik het zo opschrijf, maar dat was het niet. Eerder een gelaten aanpassing aan wat nu normaal is. En normaal is ver verwijderd van wat ikzelf gewoon vond als student. Je kunt je afvragen of er überhaupt nog een standaard bestaat. In de wetenschap noemen ze zo’n langzame verandering van wat normaal gevonden wordt het shifting baseline syndrome. Als je de relatief kleine veranderingen over kortere periodes ziet, denk je dat het wel meevalt, terwijl er over de tijd gigantische verschuivingen plaatsvinden.

Misschien ben ik al te oud om kleine veranderingen goed te kunnen ondervangen, of juist oud genoeg om de hele beweging te zien. Ik prijs de flexibiliteit van de studenten, maar ik moet niet denken aan een baseline van eindeloos beeldbellen en gelatenheid.

zelfisolatie dagboek – maandag 14 december

Gefluit, gejoel, het geklangel van lepels op pannen en zelfs een tamboerijn – er was veel te horen tijdens de persconferentie vanavond. Voor een seconde dacht ik dat Mark Rutte zou zeggen: ‘grapje jongens, kom er maar in’ en vervolgens de blaaskapel liet aanrukken die al stond warm te toeteren in de gang. Maar helaas, de fluitjes waren van demonstranten, de maatregelen zijn echt en Mark Rutte was bloedserieus.

Die ironische blaaskapel-gedachte past in het repertoire van licht ontkennende en bagatelliserende reacties die ik heb op ingrijpende gebeurtenissen. Toen ik laatst te horen kreeg dat ik een poosje zonder werk kwam te zitten, zat ik ’s avonds te schaterlachen op het terras – die reactie. Pas in tweede instantie dwarrelen bijbehorende gevoelens op me neer en volgt de gepaste misère.

Dat ik vanavond weer laconiek ben terwijl er iets overduidelijk stoms gebeurt, is dus een reden voor alertheid. Humor als een hondenfluitje voor de ernst. Zo had ik het nog niet eerder bekeken, maar ik vind het wel een vermakelijke gedachte.

28 oktober 2020

Maandag begin ik aan een nieuwe baan. Echt nieuw zal het niet zijn, want net als alle voorgaande dagen neem ik plaats in mijn eigen woonkamer. Geen rondleiding door het gebouw, niemand die me uitlegt hoe de printer werkt en ook geen vragen over of ik mee wil doen aan het lief-en-leed-potje. Wel word ik rond 9 uur gebeld door iemand van HR en komt er een koerier langs om mijn laptop te brengen.

Een collega voegde me alvast toe aan de groepsapp.
‘Ik kijk er naar uit om jullie te ontmoeten’, slingerde ik de groep in.
‘Je kunt ons regelmatig vinden op Microsoft Teams’, antwoordde een collega.
Ik mocht hem gelijk al. Zo’n droogkloterige manier van verwelkomen past bij de volkomen absurde situatie die is ontstaan. Ik heb dan wel een nieuwe baan, maar mijn omgeving gaat niet in de kleinste zin veranderen. Misschien dat het daarom ook niet voelt alsof ik ga beginnen aan een nieuw avontuur, maar eerder voelt als iets dat ik al maanden doe, alleen dan straks op een nieuwe laptop.

tweehonderddrie

Tijdens het lezen gisteravond gebeurde me iets vreemds. Het was op pagina tweehonderddrie van het boek De Acht Bergen van Paulo Cognetti. Dit verhaal, ik kende dit verhaal. Er kon geen twijfel over bestaan: ik had dit boek eerder gelezen, zes zomers geleden op de camping in Italië. Zinderende hitte maakte de dagen daar loom waardoor lezen in de schaduw even noodzakelijk als aangenaam was. Het boek was al bijna uit en pas nu kwam ik erachter. Hoe had me dit kunnen overkomen?

Ik bladerde terug in mijn dagboek om te zien of ik er iets over had opgeschreven. Ik vond niks. Bij het openen van de binnenflap begon het te duizelen: De Acht Bergen kwam pas in 2016 uit. De Nederlandse vertaling volgde een jaar later, drie jaar na mijn vakantie in Italië, wat maakte dat ik wel kon dénken dat ik het had gelezen (nee ik dacht niet, ik wist het zeker), maar door dat denken was ik nu in een ernstig conflict met de realiteit verzeild geraakt. Was mijn geheugen spelletjes met mij aan het spelen? Was er sprake van een ordinaire déjà vu?

Als je denken je dusdanig in de steek laat is dat een ontstellende ervaring. Je geheugen is je interne naslagwerk. Als dat al niet de waarheid vertelt, wat dan nog wel? Het voelde te echt en verwarrend om het een déjà vu te noemen, maar waarschijnlijk maakt dat het juíst een déjà vu: een fictieve herinnering aan het heden. Naast een déjà vu was er ook sprake van een déjà senti en zelfs van een déjà visité, want ik had het verhaal niet alleen eerder gezien; ik had het ook gevoeld en zelfs een heel idee over waar en wanneer ik het boek had gelezen.

De misvorming van mijn geheugen deed me denken aan een aflevering van de podcast Revisionist History van Malcolm Gladwell. In de nasleep van 9/11 vroeg Gladwell aan mensen op verschillende momenten waar ze waren toen twee vliegtuigen de Twin Towers binnenvlogen. Het stond ze allen nog helder voor de geest: niet alleen waar ze waren op 11 september, maar ook met wie, hoe het weer was en wie ze daarna als eerste opbelden. Zelf heb ik ook zo’n herinnering: ik maakte huiswerk (wiskunde) en mijn moeder die in de woonkamer tv keek, riep paniekerig door de trapgang dat ik naar beneden moest komen. We keken samen hoe het tweede vliegtuig de toren doorboorde.

De herinneringen die mensen voor Gladwell ophaalden, zaten vol met zulke details. Het waren stuk voor stuk waarachtige en onroerende verhalen. Alleen: ze kwamen niet overeen met de realiteit. De vertellers bleken op andere plekken te zijn geweest, met andere mensen en ook het weer was vaak anders die dag. Logen deze mensen de boel bij elkaar? Of was er houtrot gekropen in de archiefkast van hun geheugen?

Zelfs toen de vertellers geconfronteerd werden met de feitelijke onjuistheden van hun verhaal bleven ze bij hun versie van de vertelling. Dít was hoe ze zich het herinnerden, je dacht toch zeker niet dat ze het verzonnen? En ze hadden gelijk: in hun geheugen was de ervaring daadwerkelijk zo opgeslagen. Het op een andere manier vertellen, dát zou pas leugenachtig zijn. Er was ook niets mis met ze behalve dan dat ze menselijk waren.

Het geheugen blijkt geen strak geordende archiefkast, maar eerder een overvolle boekenkast waar af en toe iets uitvalt en dan op de verkeerde plek wordt teruggezet. Herinneringen bestuiven elkaar en vermengen zich tot een stevige klomp, die ondeelbaar voelt, maar in feite uit losse stukjes bestaat. Zo was het deze mensen ook vergaan: hoe waar hun herinneringen ook voelden, in de blender van het geheugen werd het fictie: een verhaal dat ze zichzelf en anderen vertelden.

In bed, starend naar het plafond, vertelde ik M. over mijn ervaring. Dat ik het toch zou zweren! Ik zie mezelf nog zitten op die camping met dat boek. M. was er niet bij, dus ze kon het bevestigen noch ontkennen. Wel kwam ze met een verklaring voor wat er was gebeurd. Volgens haar had ik sneller gelezen dan mijn bewustzijn aankon. Daardoor kreeg ik het idee: ik ken dit verhaal, maar eigenlijk liep mijn bewustzijn uit de maat met mijn gedachten. En die herinnering aan Italië dan? Daarvoor had ze geen verklaring. Misschien was de verzonnen herinnering een mooier verhaal dan de werkelijkheid.

twix

Gisteravond stopte ik op weg naar huis om te tanken. Ik was al bijna thuis, maar er zat net niet genoeg brandstof in de tank om het te halen. Buiten was het nachtelijk donker, voor de mensen van het pompstation het teken om de tl-lichten aan te zetten op de felste stand. Ik wreef de vermoeidheid uit mijn ogen. De auto slurpte traag de benzine uit de slang. Voor de ingang stonden twee mannen met een dampende Lavazza koffiebeker. Misschien dachten zij net als ik aan thuis. Wie weet wachtte er in een warm bed iemand op ze, of misschien wachtte slechts de herinnering aan iemand. Een vrouw waarvan de geur al een paar wasbeurten geleden uit de lakens is verdwenen.

Zelfs de zwartste nacht is niet donker genoeg om zijn schaduw over een tankstation te werpen. Daarom blijft het bij een tankstation altijd twaalf uur ’s middags. In de vitrine liggen ongeacht het tijdstip een paar muffins en kleffe broodjes. Je weet nooit hoe laat ze zijn gemaakt. Deze hele plek is een dikke middelvinger naar de nacht. Alleen in de hoofden van de mensen is het donker, je ziet het aan de schichtige blikken die ze je toewerpen, zoals dieren bij een drinkpoel kijken naar roofdieren.

Toen de meter een volle tank aangaf rekende ik af. Bij de kassa kocht ik nog gauw een Twix. Ik weet niet waarom; ik had alleen slaap, geen honger. De koffiemannen stonden er nog. Ze waren nu overgestapt op sigaretten. Na het tankstation begon de nacht weer. De Twix smaakte nergens naar en ik kauwde hem wezenloos weg. Ik kauwde zoals ik die mannen had zien roken. Ondertussen miste ik mijn afslag.

Er was me iets overvallen daar in die lichtbak waar de koffiemannen zich ophielden. Iets dat kinderen kennen als ze op hun verjaardag de zevende legodoos uitpakken, iets dat mijzelf overvalt wanneer ik te veel gegeten heb en toch nog een dessert bestel. Een onverzadigbaar gevoel dat almaar meer wil. Het is honger die niets met eetlust te maken heeft.

Ik voelde me een beetje geschonden. Iedereen die ooit tegen zijn zin is gekieteld weet wat ik bedoel. Het tankstation betrad de wereld van de instincten. De wereld van de honger, slaap en geilheid. Het deel in mij waar ik zelf amper grip op heb, maar zij invloed op proberen uit te oefenen. Hooguit kan ik mijn instincten even uitstellen, maar doven kan ik ze niet. Gelukkig maar zou ik zeggen, alleen maken die verdraaide marketeers van de Shell daar handig gebruik van.

Met een sukkeldrafje reed ik verder. In huis liet ik alle lampen uit. Op de tast poetste ik mijn tanden en vond ik mijn bed. Dat ik daarbij mijn knie stootte nam ik voor lief. Het was in ieder geval gewoon nacht.

Westland

Ik ging klussen bij het zomerhuisje van een vriend in Hoek van Holland. Voor sloop- en sjouwwerkzaamheden wordt er vaker een beroep op mij gedaan en vandaag moest er vijftienhonderd kilo betonmortel worden opgehaald voor de fundering.

De weg naar de lokale bouwmarkt loopt dwars door het Westland, een glazen wereld die vergeten is hoe ze er eigenlijk uitzag. Soms zie je de contouren van het oude polderlandschap, dat geplet onder de eindeloze rijen kassen hapt naar adem. Veel vaker zie je dat niet, het landschap is al gestorven en begraven.

De huisjes langs de dijk, ingeklemd tussen de komkommer- en paprikafabrieken en de N-weg, staan als kleine kasteeltjes in een glazen woestijn. Het enige groen dat hier getolereerd wordt zijn strak gekamde heggen en kort gemaaid gras. Regelmatig is het gras al vervangen door kunstgras – dat is ook groen, maar bovenal onderhoudsvrij. Je moet wel een pleurishekel hebben aan de natuur als je hier woont. Zelfs het beetje dat nog rest moet zich slaafs onderwerpen aan de mens, of anders kapot.

Voor de ingang van de bouwmarkt staan mensen met oranje winkelkarretjes te wachten. Het laat zich raden wat ze gaan kopen: heggenscharen, onkruidverdelger, 60 bij 60 grindtegels, plastic kuipstoeltjes om op het kunstgras plaats te nemen, grasmaaiers en een paar extra verduisterende gordijnen – het licht van de kassen brandt ’s nachts namelijk gewoon door.

Nadat alle betonmortel was opgehaald begon het te regenen. Maar eerst was er de wind. De vierkante heggen bewogen niet, maar verderop in de duinen, met uitzicht op zee, stoof het zand en zwiepte het helmgras. We aten een visje uit diezelfde zee en hielden onze neuzen in de wind. In de auto rook het naar gefrituurde vis, maar wij roken slechts de natuur.

hommel

Er viel een halfdode hommel uit de boom. Zomaar, plof op het opengeslagen boek. Ze wiebelde nog wat met haar achterlijf en bleef toen roerloos liggen op een witregel. Ik dacht eraan om haar te reanimeren, maar ik wist niet hoe. Zo is de natuur, herhaalde ik maar in mezelf, want ik voelde dat ik een beetje jankerig werd.

Ik dacht aan wat een vriend laatst zei. Hij beweerde dat hommels helemaal niet kunnen vliegen. ‘Ze vliegen alleen maar omdat ze geloven dat ze het kunnen. Eigenlijk zijn ze te rond en wollig ervoor.’
Zou een vlaag van zelfbewustzijn de hommel hebben gegrepen, waarna ze in paniek te pletter stortte?

Ik weet het niet, ik vind hommels toch meer doeners dan denkers. Ze handelen op een manier waarop mieren en bijen handelen, dezelfde manier waarop een plant weet waar het licht is en waar het water, en zoals wij mensen ons wel eens omdraaien in een donker steegje om vervolgens toch de verlichte straat te nemen. Ze denken door te doen. Dat is niet ondoordacht, eerder een andere manier van slim zijn.

Deze hommel had er alles uitgehaald. Na wekenlang nectar uit bloemen slurpen voor haar nageslacht was ze dodelijk vermoeid. Haar vleugels stopten met slaan, ze verloor haar momentum in de lucht en landde op de zonverlichte bladzijde. Dat ik daar toevallig zat, op die plek waar ik wel vaker zit, tja, wat kon die hommel dat nou schelen?

ekkie

Het enige overgebleven eksterjong uit de binnentuin is vandaag gesneuveld. Ik vond hem op het pad met zijn kopje in een onmogelijke houding en een vaalblauwe gloed over zijn ogen. Omdat zijn broertje eerder al verdween in een kattenmuil, vreesde ik al een paar dagen voor het leven van ’Ekkie’, zoals ik hem in een fantasieloze bui had genoemd.

Eksters hebben de gewoonte het nest te verlaten voordat ze kunnen vliegen. Een tijdje leven ze vleugellam op de grond totdat hun staartveren en vleugelpennen zijn volgroeid. Hun ouders beschermen ze en voeden ze waar het kan, maar ze zijn in deze fase weerloos tegen roofdieren. Met de zeven katten die in de binnentuin leven was de sprong uit het nest vergelijkbaar met een duik in een krokodillenvijver.

Al wijs ik niet graag met de beschuldigende vinger naar de kat (het is nou eenmaal mijn lievelingsdier), hier maakt mijn liefde plaats voor realiteitszin. ‘Katten zijn roofdieren met subsidie’, stelt ecoloog Pete Marra, en daarmee vangt hij de essentie wel. Na de moordpartij sjokken ze terug naar huis om daar een bakje eten te verorberen en op een warme schoot plaats te nemen. Ekkie en zijn broertje wisten er alles van.

Ik zou dit stukje graag positief willen afsluiten, rond maken, iets over de natuur en dat alles op zijn pootjes terecht komt, en niet alleen de katten. Iets over dat tragiek een wezenlijk onderdeel is van het leven en dat het desondanks goed gaat met de eksterpopulatie. Maar Ekkie is er niet meer, zijn ouders zijn verhuisd en als ze slim zijn komen ze nooit meer terug.