rood en hoogpolig

Zondagochtend ging ik naar de bioscoop voor een voorstelling van Honeyland. In het filmhuis lag dik, rood tapijt dat voelde als sneeuw onder de voeten. Net als bij sneeuw heb je stukjes waar al mensen hebben gelopen en stukjes maagdelijk tapijt, waar jouw voetstappen de eerste zijn. En ook net als bij sneeuw, ga je als vanzelf zachter praten als je er overheen wandelt.


Ik zweeg me een weg naar de foyer, waar een vrouw een oudere man aan het bedienen was. Ze zocht de slagroom. Die is heel lekker, zei ze, maar Cindy verstopt hem altijd. Na wat gerommel toverde ze een enorme bus tevoorschijn die ze royaal over het kleffe taartje spoot.
O, zei ze, nu ben ik vergeten te vragen of u de slagroom erop of ernaast wilde.
Allebei, zei de man. De slagroom zat overal, zelfs aan de zijkant van het bordje, dus dat was het beste antwoord.



Heeft u iets te vieren, dat u taart neemt? Ging de vrouw verder. Ze likte haar slagroomvingers af. Niet dat u geen taart mag nemen of iets te vieren moet hebben, maar ik ben gewoon nieuwsgierig.
Het is heel simpel, zei de man, je moet gewoon positief blijven. 

Dat is waar, zei de vrouw, maar dan moet dat wel ín je zitten. Ze maakte een beweging met de slagroombus naar haar borst. Het tuutje van de bus raakte haar borst.
Ja, ach, zei de man. Hij was inmiddels begonnen aan het taartje en zat nu ook onder de slagroom.

Ik hoef geen appeltaart meer, hoorde ik mezelf denken, ik hou het bij koffie. In mijn hoofd oefende ik alvast wat ik kon zeggen als ik aan de beurt was: nee, zonder melk. Ja, dat weet ik zeker.


Er wandelde een andere vrouw achter de balie. Cindy, stond er op haar naambordje. Ik bestelde vlug een koffie bij haar en Cindy ging in de weer met de schwung waarmee een barista dat ook doet. Ik zag nu pas dat de andere vrouw geen naambordje had. Zij ging verderop wat opruimen. Er rinkelde glas en er viel een doosje op de grond. Ik hoorde haar gedempt godverdomme zeggen. Misschien wilde ze het hardop zeggen, maar had het rode, hoogpolige tapijt nu ook zijn dempende invloed op haar.


Na afloop van de film stond de naamloze vrouw bij de uitgang. Ze zei de bezoekers gedag. 

Wat vond je van de film, vroeg ze. 

Ja, ging wel, zei ik.

Ah mooi, ik was al zo benieuwd wat je er van zou vinden.

Cindy stond buiten een peuk te roken. Ze drukte ‘m uit onder het zadel van een fiets.

de filosofie van de zwerver

Zelfs een zwerver zit wel eens ziek thuis. Dat wist ik ook niet. Ik kwam er per toeval achter door zwerver Willem. Hij was al een tijdje niet op straat gesignaleerd en direct gingen er geruchten rond over zijn overlijden. Hij zou in het water liggen. Nee, hij zou zijn aangereden door een dronken bestuurder – de ironie! Of nee, het was toch een nare ziekte. Zelfs het lokale krantje berichtte erover.


Een paar dagen na zijn vermissing dook Willem doodleuk op in de binnenstad, met een blik bier in zijn hand en een nieuwe jas om zijn schouders. Een paar kilo lichter, dat zag je wel aan hem, maar verder was hij zijn vertrouwde zwervende zelf. Hij had alleen even ziek thuisgezeten.

Waar hij nou precies had verpoosd, bleef me onduidelijk. Zoals wel meer onduidelijk bleef over Willem. Alleen als je hem zag, bestond hij. Als hij er niet was, betekende dat niet dat hij er niet meer was, hij was alleen niet op die plek op dat moment. Willem anticipeert niet op de verwachtingen die wij van hem hebben. Dat is zijn zwerversprivilege: hij hoeft aan niemand meer te laten weten waar hij is. Of daar ook maar op enige manier rekening mee te houden.


Zonder het bestaan op straat te romantiseren alsof Willem een soort Douwe Dabbert met knapzak is die door de landerijen trekt, – het zwervende bestaan is ontzettend zwaar – schuilt er een simpele logica in de zwerversfilosofie.
Je hebt honger, dus je zoekt een maal. Je hebt dorst dus je drinkt. En als de schemer valt ga je op zoek naar een slaapplek. Alles wat eventueel zou kunnen gebeuren is niet relevant, evenmin zijn de verwachtingen die je erover hebt belangrijk. De dingen gebeuren, of ze gebeuren niet. Verder vooruitkijken heeft weinig zin.

De twee keer dat ik Willem ontmoette maakte ik kort kennis met de zwerversfilosofie. De eerste keer was op mijn verjaardag in de zomer, ik wandelde met een volle krat bier terug naar huis en Willem rustte wat in de schaduw van een huis. Ik bood hem een flesje aan. Hij zei dat het niet zijn lievelingsbier was, maar dat hij wel dorst had. Met één grote teug leegde hij het flesje en zette het daarna terug in de krat.


De tweede keer dronk ik zelf bier in een café en wandelde Willem binnen. Er was een besloten feest gaande en hij bestelde een pilsje. Het was wederom niet zijn lievelingsbier, maar het was warm die dag en hij had dorst. Zijn flitsend gekleurde legging stak fel af tegen alle grijze colberts van de andere gasten. We kletsten wat over koetjes en kalfjes. Ik vond het leuk dat hij er was, maar na een biertje moest hij wegwezen van kastelein. Hij morde niet, maar stiefelde ontspannen naar buiten. De dorst was gelest, voor nu.


Toen ik gisterenavond in een piekerige bui op de bank zat, dacht ik terug aan de zwerversfilosofie. Ik hield me bezig met dingen die al dan niet zouden kunnen gebeuren, iets dat een volleerd zwerver niet zou doen. Na een poosje te hebben gemarineerd in minder effectieve gedachten, trok ik mijn jas aan en sjokte ik de straat op. Onzichtbaar kleine druppeltjes koude regen miezerden op mijn gezicht. De meeste mensen zaten binnen. Ik ging me al vrij snel zielig voelen en wilde terug naar huis. Ik dacht aan Willem. Waar zou hij nu zijn? En had hij ook last van dergelijke gevoelens? Ik vermoedde van niet. Het regent, dus hij schuilt. Waar hij straks naar toe zal gaan? Dat doet er nu nog niet toe.

strepen

Gistermiddag in Utrecht. Een man trekt met een rolkarretje witte lijnen op de straat bij Hoog-Catharijne. Een lappendeken van tegels en beton wordt door de strepen bijeengetrokken, zodat het duidelijk is waar je wel en niet mag gaan; hier houdt het ene op en begint het andere. Veel helpt het niet, het blijft een warboel op straat en mensen lopen dwars over de zojuist getekende grenzen heen.

Ik herinner me de terreinknecht van mijn oude voetbalclub. Op zaterdagochtend trok hij de krijtlijnen rond het veld, zodat je niet verdwaalde in de weide en per ongeluk in een andere wedstrijd belandde. Als hij zich had verslapen, en pas vlak voor de wedstrijd in alle haast de lijnen had getrokken, stond de cornervlag soms een meter verder van het doel af.

Eerder deze week zei iemand me dat de jaren ’20 voor de deur staan. Hij zei het alsof er een markerende streep in de tijd stond. Een nieuw decennium. Ik had er niet eerder zo over nagedacht en ik denk dat vrijwel niemand in deze termen over het nu nadenkt. Een decennium laat zich pas ver na afloop duiden en eigenlijk ook dan pas voelbaar maken door iets wat we nostalgie noemen.

Ook al kunnen we het nu niet duiden of markeren, toch hangen we de hele tijd de lijnrechter uit. Kijk maar naar de kringetjes die we met zelfverzonnen woorden om groepen mensen zetten: vuurwerktokkies, luchtvluchtelingen, plunderpubers. De top drie bij de woord van het jaar verkiezing van Van Dale bestond zelfs volledig uit zulke constructen: boomers, klimaatspijbelaars en klimaatdrammers waren respectievelijk de nummers één, twee en drie in de uitslag. En dan kenden we al de treitervloggers, taalnazi’s en, vergeven maar niet vergeten, de blokkeerfriezen.

Ik verwacht niet dat we op korte termijn stoppen met het verzinnen van nieuwe woorden, het is veel te leuk namelijk. Ik hoop vooral op een creatieve uitbarsting in de jaren ‘20. Wees gevat en rijk met je taal, niet lomp en kwetsend. Want ik heb echt geen zin om je komend jaar een taalterrorist te moeten noemen.

schoenendoos

Een vriend vertelde me dat hij een dode kat had gevonden. Hij vond hem in de schuur waar hij in een hoekje tegen de verwarmingsketel aan lag gekruld. 

‘Dat doen ze wel vaker, als ze gaan sterven’, zei hij, ‘dan zoeken ze een rustig plekje op.’
Maar dat de kat was gestorven in de schuur was natuurlijk eerder een gevolg van het in het vastzitten in die schuur, die al twee maanden niet was geopend, dan dat het een vooraf gekozen plek was om te sterven.



Via wat belletjes kwam mijn vriend de eigenaar op het spoor, een achterbuurman, die was hem al vanaf augustus kwijt was en hem meteen kwam ophalen. Voor de vorm had mijn vriend de kat in een schoenendoos gedaan, met een dekentje over zijn dunner geworden vacht. Dat zag er wat warmer uit. De eigenaar vertelde dat zijn kat een eigen Instagrampagina had, met al 400 volgers. 

‘Die ben ik nu allemaal kwijt’, zei hij. Zijn lip begon te trillen. 
Hij nam nog een laatste foto en schoof toen de deksel op de schoenendoos. De kat was inmiddels al een beetje gaan stinken.


Dat beeld van de kat tegen de verwarmingsketel deed me denken aan mijn eigen poes die drie jaar geleden overleed. De dag dat ze doodging was het net als vandaag weer om bij te janken en ook ik plaatste een foto op Instagram, voor mijn 35 volgers. Maar het was niet de foto die het beeld vormde van de herinnering. Het was die verwarmingsketel, en het naar warmte en veiligheid zoekende dier. 



Daags voor ze overleed kwam ze ’s nachts onder de dekens gekropen. Dat had ze nooit eerder gedaan en ik had het ook nooit eerder toegestaan, maar iets in mij liet het nu wel toe. Toen ze bleef liggen terwijl ik opstond, heb ik haar in een mandje naar de dierenarts getild, een dekentje over haar ruw geworden vacht en ik wist dondersgoed dat ik haar niet meer mee naar huis zou nemen.

laatvlieger

In de trein, na mijn werk, plof ik neer op het laatste vrije plekje. De jongen op de andere stoel zit te schrijven in een notitieboekje. Hij is zichtbaar geschrokken door mijn ietwat lompe plaatsname en krult zijn lichaam over zijn woorden.



Als je je gedachten aan het papier toevertrouwt, kun je geen pottenkijkers gebruiken, dat begrijp ik wel. Ik haal mijn laptop tevoorschijn, om zowel de jongen als mezelf gerust te stellen en tik wat woorden op het scherm.


‘De laatvlieger is een vleermuissoort die zo wordt genoemd, omdat hij later uitvliegt dan zijn collega vleermuizen. Ik had dat gehoord bij Vroege Vogels en vond het een mooi idee, een dier noemen naar zijn ritme, een beetje zoals wij elkaar een avondmens, of een uitslaper noemen, een luilak soms zelfs.’

Zuchtend zakt de jongen achterover, blijkbaar heeft hij alles wat hem dwars zat neergepend. Ik kan het niet laten. Ik moet kijken naar zijn tekst. Maar die is niet zichtbaar, zijn hand ligt nog op het papier. Zijn schouderophalende zuchten doen vermoeden dat hij een flinke last meedraagt. Ik tik verder.


‘De vlieg is het enige dier dat is genoemd naar zijn voornaamste manier van bewegen: vliegen. Paarden noemen we geen renners, vissen geen zwemmers. We kennen wel renpaarden en werkpaarden, maar die hebben we eerder al gekwalificeerd als ‘paarden’. Een vlieg doet natuurlijk meer dan vliegen. Hij landt op drollen, wast zijn pootjes als hij gevangen zit achter een raam en wandelt over wijnglazen. Maar wij noemen hem vlieg.’ 



De jongen is in zijn jas gekropen, zijn gezicht is nu helemaal aan het oog onttrokken en zijn verhaal ligt open en bloot op de klaptafel. Een rond, net handschrift zonder doorgekraste zinnen. Als je wil spieken moet je het nú doen. Maar ik weet me nog net te bedwingen. Sommige verhalen kun je beter zelf verzinnen, zeg ik tegen mezelf om mijn nieuwsgierigheid te sussen.

‘Een zwartkijker is iemand die de zaken somber inziet. Maar als het donker is in je, kan het juist wel handig zijn als je het zwart in kunt kijken. Dat je kunt zien wat daar is. Zoals dat als je maar lang genoeg je ogen openhoudt in een donkere kamer, je precies kunt zien waar alles zit; de deur, de kast, de bedrand. En het zwart opeens wat minder zwart is.


Vleermuizen hebben hun eigen manier van kijken in het zwart. Ze zijn praktisch blind en gebruiken sonargeluiden om de omgeving te leren kennen, toch bewegen ze zich op precies het juiste moment de nacht in, nooit te vroeg, nooit te laat, maar soms wel als laatste.’

fatigué

Het restaurant is een kippeneindje lopen vanaf het station. ‘Niks in vergelijking met 40 kilometer op één dag’, grapte ze aan de telefoon. Haar Franse tongval maakt haar Engels zangerig. Ik ben op weg naar Tours om een vriendin op te zoeken. Twee jaar geleden leerden we elkaar kennen toen we allebei de Camino naar Santiago liepen, maar sindsdien hadden we elkaar niet meer gezien. In de tussentijd heeft ze een restaurant geopend. ’En in januari ga ik trouwens een tweede openen’, sluit ze ons belletje af, ‘dan kan ik pas écht geld gaan verdienen.’

Als ik om half 1 mijn rolkoffer over de drempel van het restaurant hijs, mag ik meteen aanschuiven voor de lunch. Haar oma en tante zitten aan de stamtafel en ik moet in allerijl mijn camping-Frans uit de kast trekken. Je parle francais comme une vache espagnole, zeg ik. Ze lachen. Het zal wel goed zitten. Oneliners zijn er voor momenten dat je geen woorden hebt.

Mijn vriendin is overal. Achter de bar, in de keuken, wandelend met borden eten. Ze beweegt alsof ze dit al jaren doet. Haar proberen te volgen is even vermoeiend als het Franse gesprek tussen haar familieleden. Eén moment van onachtzaamheid en ik ben ze kwijt.

Als de lunch het nagerecht heeft bereikt, ben ik definitief afgehaakt. Het beleefde trage kinderfrans is vervangen door grotemensenfrans. De meeste woorden verdwijnen in een klankencarrousel die in mijn hoofd maar door blijft draaien. Als ik dan eindelijk heb bedacht waar het over gaat is het gesprek al een minuut verder.

Ca va Stie-ven? Het is mijn vriendin die de draaimolen stopt. Ze zet een espresso voor me neer.
Ja ja, een beetje moe van het reizen, antwoord ik in het Engels. Fatigué mompel ik er nog achteraan, maar ze is alweer verder naar de volgende klant.

De volgende dagen brengen we door rond het water, in cafés, op de fiets. Overal duiken familieleden en vrienden op. Overal hang ik erbij als een doofstomme. Genoeg kennis om me voor te stellen, te weinig om kennis te maken.

‘Waar schrijf je over?’ vraagt ze, als we aan het water zitten. ‘Over dit’, zeg ik, en ik wijs naar het uitzicht over de rivier. De ruisende bomen en glinsterende water. Maar ik lieg. Ik praat in mijn eigen taal tegen papier dat alleen maar zwijgt.

knecht

Daags voor ik dit stukje tikte, reed ik op mijn nieuwe oude fiets vanaf het station richting huis. Tussen alle tevreden fietsers door, zoefde ik even tevreden mee op mijn Peugeot uit de tijd dat die nog racefietsen maakten. Ik hield mezelf zo stil mogelijk, mijn rugzak roerloos op mijn rug. Tot ik plots zacht geratel achter me hoorde.



In een vlugge blik naar achter zag ik gladgeschoren kuiten, een helm en een aangesloten zonnebril. Een als professional verklede amateur was in mijn wiel gekropen. Als ik remde, remde hij ook. Ik kon bijschakelen, versnellen, maar hem niet afschudden.


Even daarvoor, in de trein, vulde ik mijn Tourpoule in en was ik me er op bedacht om geen knechten op te stellen; degenen die de wind breken voor anderen met een hogere statuur. Nu was ik zelf ingelijfd als knecht. Blijkbaar is dat geen keuze. 

Enfin, we fietsten nog even verder. De kopman en zijn knecht. Hij was geenszins van plan te vertrekken. Zo gaat dat met dingen waar je niet om hebt gevraagd. Hoe liever je wil dat ze weg zijn, des te hinderlijker is hun aanwezigheid.


Wat ik weet van wielrenners is dat ze van je overnemen en op kop gaan rijden als je je elleboog een keer kort naar buiten beweegt. Dus ik bewoog mijn elleboog kort naar buiten in de hoop dat die bloedzuiger zou overnemen en ik me uit zijn teugels kon losmaken.



Maar dat deed hij niet en mijn huis kwam in zicht. Even voelde ik de aandrang om m’n woning straal voorbij te rijden en voor hem uit te blijven rijden, tot waar hij dan ook naar toe moest. Tot in de lengte der dagen zou ik wind vangen voor mijn kopman. Gelukkig sloeg de helderheid in en kneep ik in de remmen. Verbaasd stopte hij ook, keek me glazig aan en reed door. ‘De Tour start in Brussel maat’, riep ik nog. Maar hij was al vertrokken. 



echte mannen

Ik ben aan het klussen aan het vakantiehuisje van een vriend als de buurjongen komt aangelopen. Marco heet hij, en blijkbaar komt hij wel vaker bij het tuinhekje staan om een praatje te maken.
Of ik wel eens slakken heb gegeten, vraagt hij na een tijdje, wijzend naar een huisslak op de vlonderplank.
‘Zo eentje?’ Plots voel ik dat ik gister teveel gedronken heb.
‘Ja, of een naaktslak.’

Elk jaar eten we (per ongeluk) zo’n acht spinnen, dat hoor je wel eens. Een slakje erbij zou dus zomaar kunnen, al is het wat onwaarschijnlijk dat zo’n bodemkruiper de weg naar je mond vindt.

‘Ik denk het niet’, zeg ik. ‘At je ze gewoon zo? Huis en al?’
Hij schudt zijn hoofd. ’We prikten ze op een stokje en hielden ze boven het kampvuur.’
‘Zoals marshmallows.’
‘Zoals marshmallows. Maar dan vies.’

Marco praat langzaam en nasaal, op het zeurderige af. Zijn woorden vormen samen zinnen, maar elk woord wordt als een aparte zin uitgesproken. Hij kijkt toe hoe we de vlonder voor het vakantiehuisje uit elkaar halen.
’Vier schroeven tegelijk, dat gaat sneller.’
Ik vraag hem hoe hij dat weet, van die schroeven.

‘Komt omdat ik van metaal ben’, zegt hij.
Na een motorongeluk heeft hij vijf jaar in een revalidatiekliniek doorgebracht, waarbij zijn verbrijzelde botten werden vervangen door metaal. Ze hebben hem letterlijk aan elkaar geschroefd. Hij vertelt het op dezelfde langzame en monotone manier. Alsof hij een boodschappenlijstje opleest.
‘En toen maakte mijn vriendinnetje het ook nog uit.’ Zijn schouders zakken en hij stopt zijn handen terug in zijn zakken. Voor het eerst hoor ik iets van emotie in zijn stem.
‘Ook dat nog’, stamel ik. ‘Dat was niet jouw week zeg’. 
Ik besef hoe dom ik klink, maar meer woorden heb ik even niet.

We werken al een een tijd in de zon. Zweetdruppeltjes trekken slakkensporen over mijn lijf. Ik doe mijn shirt uit en pak een glas water uit de kan.
‘Ha! Borsthaar!’, Marco kirt het uit, een mechanisch lachje volgt.
Hij staat onder de schaduw van een boom, nog steeds achter het tuinhekje en laat zijn kale, ronde buik zien. ‘Echte mannen hebben geen borsthaar.’
‘Nou, laat die mannenborst dan maar eens zien’, zeg ik, me luchtiger voordoend dan hoe ik me voel.
‘Ik mag mijn shirt niet helemaal uittrekken’, zegt hij. ‘Dat is slecht voor het metaal.’
‘Oh, sorry.’

Even later is hij zonder iets te zeggen verdwenen.
‘Dat gaat wel vaker zo’, zegt mijn vriend. ‘Na een half uurtje gaat z’n moeder zich zorgen maken.’

grote poes

Deze week paste ik op de kat van vrienden. ’t Was nogal een wilde, die naar me blies en uithaalde als ik in de buurt kwam. Ik gooide wat brokjes in z’n voerbakje en liet het idee varen dat ik hem wilde aaien. Het blijft een wild dier, zei ik tegen mezelf, twee keer het slot op de deur controlerend.


Hoe vals ook, de oppaskat viel nog mee bij de beesten die ik op Instagram tegenkwam.
 In de voorgaande weken had ik een fascinatie ontwikkeld voor mensen met té grote katten in huis. En dan heb ik het niet over een dikke rooie kater, of een wollige Maine Coon. Nee: een volwassen man die slaapt met een poema in bed, en een stelletje dat de woonkamer deelt met een lynx.



Vraag me niet hoe ik er bij kwam. Ik drukte gewoon op dat loepje onderin de app, waarin dan een semi-willekeurige grabbelton aan foto’s verschijnt. Daar zaten ze tussen, de foto’s van mensen met wilde roofdieren aan de keukentafel.



Misschien wat minder toevallig: die grote-poezen-fascinatie kwam toen het bij mezelf al een tijdje niet meer wild was. De dekens lagen als een rimpelloos meer op mijn bed en ik had meer gelezen dan gestoeid. Sleur sloop stiekem het leven in. De noodzaak voor een avontuur leek me dringender dan ooit.

Maar ik ken dat met avontuurtjes (en ik heb het nu niet alleen over slaapkameravontuurtjes), elke keer als ik me er een voorneem kom ik er op terug. Dan verkneukel ik me bij het idee en verzand ik vervolgens in praktische bezwaren.

Maar volgens mij is dat iets menselijks. Avontuur willen, maar dan wel weten waar je aan toe bent. Zo veranderden wij mensen de wolf in poedels en chihuahua’s; kleine kuttenlikkertjes die al in paniek raken als er een brief op de mat valt. En nu wandelen we met dat adaptieve eindproduct en een plastic zakje voor z’n drolletje naar een uitlaatveldje.


Een beest dat elke dag een hele kip verscheurt, lijkt opeens niet meer zo’n gek idee. Een beest dat – mocht z’n hoofd er naar staan – jou ook verscheurt. Maar het is wachten tot we dan proberen ons hoofd in de muil van de leeuw te stoppen, de ultieme controle over het wilde. Wat een avontuur. En ik maar zeuren over een pittig katje. 



https://www.instagram.com/l_am_puma/
https://www.instagram.com/ariel.caracat/

aanwezig

Ik werkte ooit op de dertiende verdieping van een kantoorpand. Het was bij een verzekeringsmaatschappij, waar ik betaald computerde en op mijn kop kreeg als mijn telefoontoestel niet voldoende op Aanwezig stond. Elke middag nam ik de lift naar beneden om daar koffie te drinken. Die smaakte op de begane grond stukken beter. Daarna rende ik zo hard mogelijk de dertien verdiepingen terug omhoog, totdat de adem brandde in mijn keel.


Er waren collega’s die heet water dronken in plaats van thee. Elke dag stonden er taarten in de koffiehoek, want elke dag was er wel iemand jarig. Uit het kopieerhok klonk af en toe zacht gesnik als de deur dicht was. En als iemand ziek werd, zag je die meestal nooit meer terug.


‘Gouden handboeien’, zei een collega die al tien jaar op de afdeling werkte. ‘Ze betalen me zo goed dat ik nu een te dure hypotheek heb. Ik kan niet meer weg. Ik ben geketend.’ Hij nipte aan z’n hete water en beet in het plastic bekertje. 


Wat die collega precies deed weet ik niet meer, maar als ik vragen had over mijn computer wist hij meestal het antwoord. ‘Iets op het snijvlak van procesoptimalisatie en ICT.’ Hij knipoogde als hij dat zei, omdat hij zelf ook wel wist dat het kul was. 


Toen ik op een dinsdag – na een tweede mokkapunt – in slaap viel op de wc, wist ik dat zelfs de koffie van beneden mijn dips niet kon opvangen. Alleen de frisse lucht achter de buitendeur zou me redden.

Ik dacht in de maanden na mijn vertrek vaak terug aan mijn collega’s. Het verleden is geen jas die je zomaar uit kunt doen. Om drie uur, dacht ik aan de jongen van de twaalfde verdieping die zou komen buurten. Hij bracht het shownieuws als een troubadour en zei dan dat ‘het steeds gekker’ werd. Om vier uur zouden de eerste laptops voorzichtig worden ingepakt. Ik miste de gewoontes. Ik miste de sleur en het gezeur.


Deze week las ik dat er zoveel honderd mensen weg moeten bij dat kantoor. Er zijn computers die beter kunnen computeren dan zij. Sneller waarschijnlijk. En met minder koffiepauzes. Maar ze zullen nooit huilen of lachen, of delen met elkaar dat Patty Brard gaat trouwen op Ibiza.