zelfisolatie dagboek – donderdag 7 mei

Vanuit mijn raam heb ik zicht op een grote boom. Op de eerste vertakking wonen twee duiven en sinds een week hebben ze een logee in de vorm van een klein tortelduifje. De knappe verstekeling met haar zwarte halsband zat gebroederlijk naast het verlopen stel. Het is een solidariteitsactie van het duivenpaar. Het aanbod aan verloren frietjes is flink geslonken, laat staan de door dronken toeristen achtergelaten plakkaten braaksel. Gelukkig is er op het plein een buurman die elke dag een zak oud brood leegkiepert.

Het tortelduifje verbleef vandaag op de rand van de flat. Haar gastvrouw en heer alert op hun vaste tak. De solidariteit bleek van korte duur. Geven wat je ten overvloede hebt is voor niemand lastig, pas als beide partijen het moeilijk hebben wordt de waarde van hun saamhorigheid getest. De broodkruim was op. Net als het geduld dat wij ten overvloede hadden aan het begin van de lockdown wordt het met de tijd schaarser. Alle spandoeken en t-shirts voor het zorgpersoneel ten spijt, de solidariteitstest is pas net begonnen.

zelfisolatie dagboek – zondag 3 mei

Hoe langer ik het kan volhouden, des te verder raak ik er van weg. Dat dacht ik toen ik vandaag rende. Ik probeerde de verveling kwijt te spelen die zich sinds een week in mijn leven heeft genesteld. Toen mijn kuiten vol beton waren, en mijn hoofd vol met paars, wist ik dat ik bijna op bestemming was. In de deuropening van mijn huis zag echter alles er hetzelfde uit. Ik was dan wel even weggeweest, het monster van de gezapigheid lag nog languit in de woonkamer.



Om op exact hetzelfde punt uit te komen als waar je begon, zonder bestemming, is eigenlijk maar een gekke manier van lopen. Toch doe ik het. Nergens heen, maar ook nergens van weg. Het is mijn manier van rondrennen in een hamsterbal. Hamsters zonder zo’n bal leven doorgaans ook minder lang, zeggen ze. Het is escapisme in een synthetisch shirt, maar of het je ergens brengt durf ik niet te zeggen. 


zelfisolatie dagboek – zaterdag 2 mei


Ik was vandaag in Wognum. Of ja, ik was niet echt in Wognum, maar bij benadering toch zeker. Dat moet ik uitleggen. In de brievenbus zat een tweedehands fotoboek dat ik op bol.com had besteld. Het was door een vriendelijke meneer uit Wognum op de post gedaan. Dat vriendelijke kon ik niet weten, het was het beeld dat ik erbij kreeg: een man in een klein West-Fries dorpje verpakt met zorg een mooi boek waar hij eerder zelf van genoot. Geen botte hork die aan zulke zaken zijn aandacht besteed.

De sympathie voor de verzender werd versterkt door een opvallend detail op het pakketje: de postzegels waren niet als stickers op de envelop geplakt, maar met stukjes vorige envelop en al op het pakket gelijmd. De vriendelijke meneer was een vriendelijke meneer in geldnood. Direct voelde ik me bezwaard dat ik er slechts negen euro voor had betaald.


Eenmaal open rook het boek naar tabak. De geur zat al snel aan mijn vingers en na een half uur dwarrelde de rook door mijn hele huis. Ik zat in de woonkamer in Wognum te kijken naar alles wat verkocht moest worden om wat bij te verdienen. Negen euro, dat is toch weer anderhalf pakje sigaretten.

zelfisolatie dagboek – dinsdag 28 april

Zoals een astronoom de hemel afspeurt naar nieuwe sterren, zo zocht ik vandaag op mijn huid naar een teek. Nieuwe moedervlekken, die vond ik, en een puistje, maar van teken geen spoor. Dat mijn wandelmaatje er al een uit zijn been had getrokken, was voldoende reden om door te zoeken. Het niet vinden van een teek is namelijk geen bewijs van zijn afwezigheid – je hebt hem simpelweg nog niet gevonden.

Ik vatte de theorie op dat de teek aan de donkere zijde van mijn lichaam moest zitten; het stuk dat ik nooit direct met mijn eigen ogen kon zien. Daar waar mijn billen mijn benen raken bijvoorbeeld, of op het gladde deel van mijn rug. Maar ook toen ik met behulp van de spiegel verder kon kijken, bleef de teller op nul staan. 



Met mijn broek nog op mijn knieën en een beetje teleurgesteld, dacht ik aan de donkere zijde van de maan. De kant die nooit wordt gezien vanaf de aarde, maar daarom niet minder maan is. En hoe je er op moet vertrouwen dat je sommige dingen niet kunt zien, en andere dingen domweg niet bestaan.

zelfisolatie dagboek – maandag 13 april

Vandaag telde ik de Tesla’s in de straat om de hoek. Het waren er vier-en-twintig. Werkeloos stonden ze toe te kijken in de namiddagzon. Perfecte machines die niet begrijpen waarom ze nu zo weinig gebruikt worden. Je zou er haast medelijden mee krijgen.


Ik heb geen Dacia, Subaru of decennia oud Renaultje genoteerd, maar de buurt zou er een stuk van opknappen. Het is een beetje als met voetbalplaatjes: enerzijds wil je de beste voetballers, maar als je Messi al tien keer in bezit hebt, ben je blij als je de matige linksback van Zuid-Korea in je pakje treft.



Gister reed ik langs een voetbalkooi in het oosten van de stad. Een vijftal jongens werd bekeurd vanuit een politieauto. Eentje smeerde ‘m op een omafiets. Dat is dan een voordeel van armoede, niemand kan je traceren op een oud barrel zonder nummerbord.

zelfisolatie dagboek – zondag 12 april

De vergelijking lag voor het oprapen. Verschillende media maakten hem dan ook dit weekend: de onmiskenbare overeenkomst tussen de quarantaineperiode en de film Groundhog Day. Omdat die vergelijking zich al eerder aan me opdrong, leek het alsof ik daadwerkelijk in een repeterende tijdslus was beland waarop alle dagen hetzelfde zijn. Op zich wel logisch ook. Als dagen elkaars spiegelbeeld zijn, is het zelfs onvermijdelijk.


Als kind had ik geen moeite met herhalingen. Eindeloos keek ik dezelfde tekenfilms. Ik wist precies wanneer Jerry met een hamer op Tom’s tenen zou slaan en wanneer Tom Jerry in een zelfgefabriceerde muizenval zou lokken. Herhaling was een welkome afwisseling, herhaling gaf houvast.

Wanneer het moeilijker is geworden weet ik niet. Er is geen specifiek moment aan te wijzen waarop dat gebeurde. Ik merkte het pas toen mijn leven was zoals in Groundhog Day. Ik kan er niemand de schuld van geven of er zelf veel aan doen. Ik zit nu alleen wel met meer zendtijd dan ik kan vullen.

zelfisolatie dagboek – vrijdag 10 april

Naar aanleiding van mijn stukje van gister kreeg ik een berichtje op Instagram. Er waren wel degelijk antwoorden op de crisis, maar we lieten ons massaal in de luren leggen. Als ik mijn e-mailadres zou geven zou ik enkele artikelen ontvangen die je in de reguliere media niet tegenkwam. 


Het deed me denken aan een wandeling van een tijdje terug. Ik kwam per toeval op een begraafplaats terecht, die aan het eind van een parkje lag waar ik doorheen liep. De stenen lagen in keurig geordende rijtjes van tien en leken op elkaar – een glimmend granieten plaat met een afgeronde bovenkant. Waarschijnlijk was er in het dorp maar één steenhouwer die zerken maakte.



De mens wikt, en God beschikt, die spreuk had ik nou al een paar keer gezien. Niemand weet wat het echt betekent, maar dat houdt de mens gaande. Als ik een poging doe het te vertalen zegt het zoiets als: wat je ook doet, het maakt geen fuck uit, god heeft een plannetje met je. Of niet. 



Onder de warme deken van een religie is het lekker slapen. Net zo comfortabel is het leven met een ander soort verklaring, een complottheorie of het idee van een vooropgezet plan. Want het idee dat er werkelijk niemand achter de knoppen zit, dat nare dingen willekeurig kunnen gebeuren, dat is wikken zonder beschikken.


zelfisolatie dagboek – donderdag 9 april

Vandaag at ik met twee vrienden friet in de tuin. We hadden het over Memphis Depay die een leeuw had gekocht, en of dat erg was, en of het er toe deed. Tot een conclusie kwamen we niet, maar wel dat een kroket eten ook niet echt diervriendelijk was.



Eerder op de dag was de buurman zijn poes kwijt. ‘Vesper psst psst’, lispelde hij. Binnen de kortste keren scharrelde de halve buurt over het plein, maar Vesper liet zich niet zien. Het zal niet de eerste kat zijn die zichzelf de vergetelheid in verstopt. Maar van katten weet ik: dat wat je niet ziet, is niet per definitie afwezig.

Hetzelfde geldt voor het voorzichtige optimisme over de crisis. Het ontneemt het zicht op de onzekerheid over de toekomst, maar die onzekerheid zijn we nog niet kwijt. Het is klote, het antwoord laat nog op zich wachten, Vesper is nog even spoorloos. De vraag is vooral: hoe lang houden we het vol zonder een antwoord?

zelfisolatie dagboek – woensdag 8 april

Elke ochtend trippelt er een ekster over de balustrade bij mijn slaapkamer. Het is een vast onderdeel van zijn ochtendrondje en nu ook van de mijne. Hij kwettert wat tegen z’n partner die verderop de buren wakker maakt en de dag kan beginnen.

In China is een satelliet gelanceerd die de Eksterbrug heet. Volgens een Chinees sprookje vormde een groep eksters een lange brug waardoor een herdersjongen vanaf de aarde naar zijn vriendinnetje in de hemel kon. Dat was natuurlijk erg lief van de eksters. En met zo’n naam kan je satelliet alleen maar succesvol zijn.

Ik zei net elke ochtend, maar vanochtend ontbrak het getrippel. Er was alleen luid gekras van een grote zwarte kraai. Het lijkt erop dat er een nieuwe sheriff in het stadje is. Ik hoop op een slimmigheidje van de eksters, zoals met die brug, maar misschien kan ik beter leren wennen aan mijn nieuwe luide wekker.

zelfisolatie dagboek – dinsdag 7 april

De maan schijnt naar buskruit te ruiken. Astronauten die ooit op de maan wandelden, vertelden dat bij terugkomst hun pakken zo roken. Zoals je kleren daags na een avond stappen meuren naar bier en sigaretten.



De afwezigheid van alle uitlaatgassen en smog maakt dat we helderste hemels hebben in tijden. Ook de maan is vannacht beter zichtbaar dan normaal, en dan staat hij ook nog eens extra dichtbij. Zonder vertroebeling zie je de dingen beter. Het is misschien wel het fijnste gevoel dat er is: een totale absentie van behoeftes, bullshit, driften en gepieker. Het is er allemaal niet. Ik weet, het is crisis, maar zo voelt het niet. Er is alleen maar meer lucht.