zelfisolatie dagboek – zaterdag 2 mei


Ik was vandaag in Wognum. Of ja, ik was niet echt in Wognum, maar bij benadering toch zeker. Dat moet ik uitleggen. In de brievenbus zat een tweedehands fotoboek dat ik op bol.com had besteld. Het was door een vriendelijke meneer uit Wognum op de post gedaan. Dat vriendelijke kon ik niet weten, het was het beeld dat ik erbij kreeg: een man in een klein West-Fries dorpje verpakt met zorg een mooi boek waar hij eerder zelf van genoot. Geen botte hork die aan zulke zaken zijn aandacht besteed.

De sympathie voor de verzender werd versterkt door een opvallend detail op het pakketje: de postzegels waren niet als stickers op de envelop geplakt, maar met stukjes vorige envelop en al op het pakket gelijmd. De vriendelijke meneer was een vriendelijke meneer in geldnood. Direct voelde ik me bezwaard dat ik er slechts negen euro voor had betaald.


Eenmaal open rook het boek naar tabak. De geur zat al snel aan mijn vingers en na een half uur dwarrelde de rook door mijn hele huis. Ik zat in de woonkamer in Wognum te kijken naar alles wat verkocht moest worden om wat bij te verdienen. Negen euro, dat is toch weer anderhalf pakje sigaretten.

zelfisolatie dagboek – dinsdag 28 april

Zoals een astronoom de hemel afspeurt naar nieuwe sterren, zo zocht ik vandaag op mijn huid naar een teek. Nieuwe moedervlekken, die vond ik, en een puistje, maar van teken geen spoor. Dat mijn wandelmaatje er al een uit zijn been had getrokken, was voldoende reden om door te zoeken. Het niet vinden van een teek is namelijk geen bewijs van zijn afwezigheid – je hebt hem simpelweg nog niet gevonden.

Ik vatte de theorie op dat de teek aan de donkere zijde van mijn lichaam moest zitten; het stuk dat ik nooit direct met mijn eigen ogen kon zien. Daar waar mijn billen mijn benen raken bijvoorbeeld, of op het gladde deel van mijn rug. Maar ook toen ik met behulp van de spiegel verder kon kijken, bleef de teller op nul staan. 



Met mijn broek nog op mijn knieën en een beetje teleurgesteld, dacht ik aan de donkere zijde van de maan. De kant die nooit wordt gezien vanaf de aarde, maar daarom niet minder maan is. En hoe je er op moet vertrouwen dat je sommige dingen niet kunt zien, en andere dingen domweg niet bestaan.

zelfisolatie dagboek – maandag 6 april

Gisteren noteerde ik de 21e dag op rij waarop ik had gedronken. Ik typ dit met een kopje kamillethee naast mijn laptop en goede intenties om mijn leven vanaf heden te beteren. Sommige vrienden zijn trots op me, anderen maken zich zorgen. Zelf denk ik dat ik nu eenmaal aanleg heb om gewoontes (goed en slecht) in een recordtempo in te slijten. 



In het parkje waar ik graag doorheen wandel trof ik vandaag drie jongens van een jaar of 20. Ze waren flink aan het sporten. Om de zo veel tijd stopten ze om de anderen een foto te laten nemen van hun ontblote torso’s. Uitslovers, dacht ik, maar toch bleef ik kijken. Je kon aan hun lijven zien dat ze al een tijdje de gewoonte hadden om dit te doen.



Ik vroeg me af of obsessief met jezelf bezig zijn erger was dan te veel drinken, maar eerlijkheidshalve is er waarschijnlijk voor beide niet zoveel te zeggen. Het enige dat ik ervan kon maken is dat ik blij ben dat ik zo’n goede smaak heb in de keuze van mijn gewoonten.