echte mannen

Ik ben aan het klussen aan het vakantiehuisje van een vriend als de buurjongen komt aangelopen. Marco heet hij, en blijkbaar komt hij wel vaker bij het tuinhekje staan om een praatje te maken.
Of ik wel eens slakken heb gegeten, vraagt hij na een tijdje, wijzend naar een huisslak op de vlonderplank.
‘Zo eentje?’ Plots voel ik dat ik gister teveel gedronken heb.
‘Ja, of een naaktslak.’

Elk jaar eten we (per ongeluk) zo’n acht spinnen, dat hoor je wel eens. Een slakje erbij zou dus zomaar kunnen, al is het wat onwaarschijnlijk dat zo’n bodemkruiper de weg naar je mond vindt.

‘Ik denk het niet’, zeg ik. ‘At je ze gewoon zo? Huis en al?’
Hij schudt zijn hoofd. ’We prikten ze op een stokje en hielden ze boven het kampvuur.’
‘Zoals marshmallows.’
‘Zoals marshmallows. Maar dan vies.’

Marco praat langzaam en nasaal, op het zeurderige af. Zijn woorden vormen samen zinnen, maar elk woord wordt als een aparte zin uitgesproken. Hij kijkt toe hoe we de vlonder voor het vakantiehuisje uit elkaar halen.
’Vier schroeven tegelijk, dat gaat sneller.’
Ik vraag hem hoe hij dat weet, van die schroeven.

‘Komt omdat ik van metaal ben’, zegt hij.
Na een motorongeluk heeft hij vijf jaar in een revalidatiekliniek doorgebracht, waarbij zijn verbrijzelde botten werden vervangen door metaal. Ze hebben hem letterlijk aan elkaar geschroefd. Hij vertelt het op dezelfde langzame en monotone manier. Alsof hij een boodschappenlijstje opleest.
‘En toen maakte mijn vriendinnetje het ook nog uit.’ Zijn schouders zakken en hij stopt zijn handen terug in zijn zakken. Voor het eerst hoor ik iets van emotie in zijn stem.
‘Ook dat nog’, stamel ik. ‘Dat was niet jouw week zeg’. 
Ik besef hoe dom ik klink, maar meer woorden heb ik even niet.

We werken al een een tijd in de zon. Zweetdruppeltjes trekken slakkensporen over mijn lijf. Ik doe mijn shirt uit en pak een glas water uit de kan.
‘Ha! Borsthaar!’, Marco kirt het uit, een mechanisch lachje volgt.
Hij staat onder de schaduw van een boom, nog steeds achter het tuinhekje en laat zijn kale, ronde buik zien. ‘Echte mannen hebben geen borsthaar.’
‘Nou, laat die mannenborst dan maar eens zien’, zeg ik, me luchtiger voordoend dan hoe ik me voel.
‘Ik mag mijn shirt niet helemaal uittrekken’, zegt hij. ‘Dat is slecht voor het metaal.’
‘Oh, sorry.’

Even later is hij zonder iets te zeggen verdwenen.
‘Dat gaat wel vaker zo’, zegt mijn vriend. ‘Na een half uurtje gaat z’n moeder zich zorgen maken.’

aanwezig

Ik werkte ooit op de dertiende verdieping van een kantoorpand. Het was bij een verzekeringsmaatschappij, waar ik betaald computerde en op mijn kop kreeg als mijn telefoontoestel niet voldoende op Aanwezig stond. Elke middag nam ik de lift naar beneden om daar koffie te drinken. Die smaakte op de begane grond stukken beter. Daarna rende ik zo hard mogelijk de dertien verdiepingen terug omhoog, totdat de adem brandde in mijn keel.


Er waren collega’s die heet water dronken in plaats van thee. Elke dag stonden er taarten in de koffiehoek, want elke dag was er wel iemand jarig. Uit het kopieerhok klonk af en toe zacht gesnik als de deur dicht was. En als iemand ziek werd, zag je die meestal nooit meer terug.


‘Gouden handboeien’, zei een collega die al tien jaar op de afdeling werkte. ‘Ze betalen me zo goed dat ik nu een te dure hypotheek heb. Ik kan niet meer weg. Ik ben geketend.’ Hij nipte aan z’n hete water en beet in het plastic bekertje. 


Wat die collega precies deed weet ik niet meer, maar als ik vragen had over mijn computer wist hij meestal het antwoord. ‘Iets op het snijvlak van procesoptimalisatie en ICT.’ Hij knipoogde als hij dat zei, omdat hij zelf ook wel wist dat het kul was. 


Toen ik op een dinsdag – na een tweede mokkapunt – in slaap viel op de wc, wist ik dat zelfs de koffie van beneden mijn dips niet kon opvangen. Alleen de frisse lucht achter de buitendeur zou me redden.

Ik dacht in de maanden na mijn vertrek vaak terug aan mijn collega’s. Het verleden is geen jas die je zomaar uit kunt doen. Om drie uur, dacht ik aan de jongen van de twaalfde verdieping die zou komen buurten. Hij bracht het shownieuws als een troubadour en zei dan dat ‘het steeds gekker’ werd. Om vier uur zouden de eerste laptops voorzichtig worden ingepakt. Ik miste de gewoontes. Ik miste de sleur en het gezeur.


Deze week las ik dat er zoveel honderd mensen weg moeten bij dat kantoor. Er zijn computers die beter kunnen computeren dan zij. Sneller waarschijnlijk. En met minder koffiepauzes. Maar ze zullen nooit huilen of lachen, of delen met elkaar dat Patty Brard gaat trouwen op Ibiza.