zelfisolatie dagboek – zondag 5 april

De afgelopen weken probeer ik de grenzen van de stad te vinden. Vanaf mijn huis ren ik zo ver ik kan tot een barrière het pad belemmert. Een beetje zoals een gevangene zijn cel inspecteert en alle hoekjes en gaatjes leert kennen. Vandaag eindigde mijn loopje bij een snelweg, daar kun je niet overheen. Het was niet de eerste keer, zowel in het zuiden, westen en oosten van de stad kwam ik snelwegen tegen.

Dit is mijn speelveld voor de komende weken. Opgesloten in de stad, maar ook een beetje in mezelf, jogde ik weer terug. Voor het bejaardentehuis klonk muziek, er stond een bandje te spelen. Achter de ramen zwaaiende senioren en verpleegkundigen. Versnipperd over de weg mensen met spandoeken. En voor ik er erg in had, stond ik met beide armen mee te zwaaien.

zelfisolatie dagboek – vrijdag 3 april

Tijdens een video-borrel met vrienden ging het over de film Groundhog Day. Bill Murray zit in die film vast in in de tijd. Elke dag ontwaakt hij op hetzelfde tijdstip op exact dezelfde dag. In de warrige overlap van op elkaar lijkende dagen is de overeenkomst onweerlegbaar. En we geloofden het wel, dat thuiszitten. Je baard laten staan is leuk, maar na drie weken ken je dat geintje wel. 



Dat geintje mogen we nog zeker een maand volhouden. Tijdens elke periode duurt het middenstuk het langst. De aanvankelijke schok en opwinding zijn verdwenen, maar het einde is nog lang niet in zicht. Dit zijn de Middeleeuwen van de coronacrisis. Daarna komt de Renaissance, althans zo ging het 500 jaar geleden.

Volgt hierna dan als vanzelf een miraculeuze periode vol openbaringen? De schrijver Murakami omschreef het mooi: het is niet omdat iets een einde heeft dat het betekenis heeft. Die draai moeten we er zelf nog aan geven.

laatvlieger

In de trein, na mijn werk, plof ik neer op het laatste vrije plekje. De jongen op de andere stoel zit te schrijven in een notitieboekje. Hij is zichtbaar geschrokken door mijn ietwat lompe plaatsname en krult zijn lichaam over zijn woorden.



Als je je gedachten aan het papier toevertrouwt, kun je geen pottenkijkers gebruiken, dat begrijp ik wel. Ik haal mijn laptop tevoorschijn, om zowel de jongen als mezelf gerust te stellen en tik wat woorden op het scherm.


‘De laatvlieger is een vleermuissoort die zo wordt genoemd, omdat hij later uitvliegt dan zijn collega vleermuizen. Ik had dat gehoord bij Vroege Vogels en vond het een mooi idee, een dier noemen naar zijn ritme, een beetje zoals wij elkaar een avondmens, of een uitslaper noemen, een luilak soms zelfs.’

Zuchtend zakt de jongen achterover, blijkbaar heeft hij alles wat hem dwars zat neergepend. Ik kan het niet laten. Ik moet kijken naar zijn tekst. Maar die is niet zichtbaar, zijn hand ligt nog op het papier. Zijn schouderophalende zuchten doen vermoeden dat hij een flinke last meedraagt. Ik tik verder.


‘De vlieg is het enige dier dat is genoemd naar zijn voornaamste manier van bewegen: vliegen. Paarden noemen we geen renners, vissen geen zwemmers. We kennen wel renpaarden en werkpaarden, maar die hebben we eerder al gekwalificeerd als ‘paarden’. Een vlieg doet natuurlijk meer dan vliegen. Hij landt op drollen, wast zijn pootjes als hij gevangen zit achter een raam en wandelt over wijnglazen. Maar wij noemen hem vlieg.’ 



De jongen is in zijn jas gekropen, zijn gezicht is nu helemaal aan het oog onttrokken en zijn verhaal ligt open en bloot op de klaptafel. Een rond, net handschrift zonder doorgekraste zinnen. Als je wil spieken moet je het nú doen. Maar ik weet me nog net te bedwingen. Sommige verhalen kun je beter zelf verzinnen, zeg ik tegen mezelf om mijn nieuwsgierigheid te sussen.

‘Een zwartkijker is iemand die de zaken somber inziet. Maar als het donker is in je, kan het juist wel handig zijn als je het zwart in kunt kijken. Dat je kunt zien wat daar is. Zoals dat als je maar lang genoeg je ogen openhoudt in een donkere kamer, je precies kunt zien waar alles zit; de deur, de kast, de bedrand. En het zwart opeens wat minder zwart is.


Vleermuizen hebben hun eigen manier van kijken in het zwart. Ze zijn praktisch blind en gebruiken sonargeluiden om de omgeving te leren kennen, toch bewegen ze zich op precies het juiste moment de nacht in, nooit te vroeg, nooit te laat, maar soms wel als laatste.’

echte mannen

Ik ben aan het klussen aan het vakantiehuisje van een vriend als de buurjongen komt aangelopen. Marco heet hij, en blijkbaar komt hij wel vaker bij het tuinhekje staan om een praatje te maken.
Of ik wel eens slakken heb gegeten, vraagt hij na een tijdje, wijzend naar een huisslak op de vlonderplank.
‘Zo eentje?’ Plots voel ik dat ik gister teveel gedronken heb.
‘Ja, of een naaktslak.’

Elk jaar eten we (per ongeluk) zo’n acht spinnen, dat hoor je wel eens. Een slakje erbij zou dus zomaar kunnen, al is het wat onwaarschijnlijk dat zo’n bodemkruiper de weg naar je mond vindt.

‘Ik denk het niet’, zeg ik. ‘At je ze gewoon zo? Huis en al?’
Hij schudt zijn hoofd. ’We prikten ze op een stokje en hielden ze boven het kampvuur.’
‘Zoals marshmallows.’
‘Zoals marshmallows. Maar dan vies.’

Marco praat langzaam en nasaal, op het zeurderige af. Zijn woorden vormen samen zinnen, maar elk woord wordt als een aparte zin uitgesproken. Hij kijkt toe hoe we de vlonder voor het vakantiehuisje uit elkaar halen.
’Vier schroeven tegelijk, dat gaat sneller.’
Ik vraag hem hoe hij dat weet, van die schroeven.

‘Komt omdat ik van metaal ben’, zegt hij.
Na een motorongeluk heeft hij vijf jaar in een revalidatiekliniek doorgebracht, waarbij zijn verbrijzelde botten werden vervangen door metaal. Ze hebben hem letterlijk aan elkaar geschroefd. Hij vertelt het op dezelfde langzame en monotone manier. Alsof hij een boodschappenlijstje opleest.
‘En toen maakte mijn vriendinnetje het ook nog uit.’ Zijn schouders zakken en hij stopt zijn handen terug in zijn zakken. Voor het eerst hoor ik iets van emotie in zijn stem.
‘Ook dat nog’, stamel ik. ‘Dat was niet jouw week zeg’. 
Ik besef hoe dom ik klink, maar meer woorden heb ik even niet.

We werken al een een tijd in de zon. Zweetdruppeltjes trekken slakkensporen over mijn lijf. Ik doe mijn shirt uit en pak een glas water uit de kan.
‘Ha! Borsthaar!’, Marco kirt het uit, een mechanisch lachje volgt.
Hij staat onder de schaduw van een boom, nog steeds achter het tuinhekje en laat zijn kale, ronde buik zien. ‘Echte mannen hebben geen borsthaar.’
‘Nou, laat die mannenborst dan maar eens zien’, zeg ik, me luchtiger voordoend dan hoe ik me voel.
‘Ik mag mijn shirt niet helemaal uittrekken’, zegt hij. ‘Dat is slecht voor het metaal.’
‘Oh, sorry.’

Even later is hij zonder iets te zeggen verdwenen.
‘Dat gaat wel vaker zo’, zegt mijn vriend. ‘Na een half uurtje gaat z’n moeder zich zorgen maken.’