schoenendoos

Een vriend vertelde me dat hij een dode kat had gevonden. Hij vond hem in de schuur waar hij in een hoekje tegen de verwarmingsketel aan lag gekruld. 

‘Dat doen ze wel vaker, als ze gaan sterven’, zei hij, ‘dan zoeken ze een rustig plekje op.’
Maar dat de kat was gestorven in de schuur was natuurlijk eerder een gevolg van het in het vastzitten in die schuur, die al twee maanden niet was geopend, dan dat het een vooraf gekozen plek was om te sterven.



Via wat belletjes kwam mijn vriend de eigenaar op het spoor, een achterbuurman, die was hem al vanaf augustus kwijt was en hem meteen kwam ophalen. Voor de vorm had mijn vriend de kat in een schoenendoos gedaan, met een dekentje over zijn dunner geworden vacht. Dat zag er wat warmer uit. De eigenaar vertelde dat zijn kat een eigen Instagrampagina had, met al 400 volgers. 

‘Die ben ik nu allemaal kwijt’, zei hij. Zijn lip begon te trillen. 
Hij nam nog een laatste foto en schoof toen de deksel op de schoenendoos. De kat was inmiddels al een beetje gaan stinken.


Dat beeld van de kat tegen de verwarmingsketel deed me denken aan mijn eigen poes die drie jaar geleden overleed. De dag dat ze doodging was het net als vandaag weer om bij te janken en ook ik plaatste een foto op Instagram, voor mijn 35 volgers. Maar het was niet de foto die het beeld vormde van de herinnering. Het was die verwarmingsketel, en het naar warmte en veiligheid zoekende dier. 



Daags voor ze overleed kwam ze ’s nachts onder de dekens gekropen. Dat had ze nooit eerder gedaan en ik had het ook nooit eerder toegestaan, maar iets in mij liet het nu wel toe. Toen ze bleef liggen terwijl ik opstond, heb ik haar in een mandje naar de dierenarts getild, een dekentje over haar ruw geworden vacht en ik wist dondersgoed dat ik haar niet meer mee naar huis zou nemen.

echte mannen

Ik ben aan het klussen aan het vakantiehuisje van een vriend als de buurjongen komt aangelopen. Marco heet hij, en blijkbaar komt hij wel vaker bij het tuinhekje staan om een praatje te maken.
Of ik wel eens slakken heb gegeten, vraagt hij na een tijdje, wijzend naar een huisslak op de vlonderplank.
‘Zo eentje?’ Plots voel ik dat ik gister teveel gedronken heb.
‘Ja, of een naaktslak.’

Elk jaar eten we (per ongeluk) zo’n acht spinnen, dat hoor je wel eens. Een slakje erbij zou dus zomaar kunnen, al is het wat onwaarschijnlijk dat zo’n bodemkruiper de weg naar je mond vindt.

‘Ik denk het niet’, zeg ik. ‘At je ze gewoon zo? Huis en al?’
Hij schudt zijn hoofd. ’We prikten ze op een stokje en hielden ze boven het kampvuur.’
‘Zoals marshmallows.’
‘Zoals marshmallows. Maar dan vies.’

Marco praat langzaam en nasaal, op het zeurderige af. Zijn woorden vormen samen zinnen, maar elk woord wordt als een aparte zin uitgesproken. Hij kijkt toe hoe we de vlonder voor het vakantiehuisje uit elkaar halen.
’Vier schroeven tegelijk, dat gaat sneller.’
Ik vraag hem hoe hij dat weet, van die schroeven.

‘Komt omdat ik van metaal ben’, zegt hij.
Na een motorongeluk heeft hij vijf jaar in een revalidatiekliniek doorgebracht, waarbij zijn verbrijzelde botten werden vervangen door metaal. Ze hebben hem letterlijk aan elkaar geschroefd. Hij vertelt het op dezelfde langzame en monotone manier. Alsof hij een boodschappenlijstje opleest.
‘En toen maakte mijn vriendinnetje het ook nog uit.’ Zijn schouders zakken en hij stopt zijn handen terug in zijn zakken. Voor het eerst hoor ik iets van emotie in zijn stem.
‘Ook dat nog’, stamel ik. ‘Dat was niet jouw week zeg’. 
Ik besef hoe dom ik klink, maar meer woorden heb ik even niet.

We werken al een een tijd in de zon. Zweetdruppeltjes trekken slakkensporen over mijn lijf. Ik doe mijn shirt uit en pak een glas water uit de kan.
‘Ha! Borsthaar!’, Marco kirt het uit, een mechanisch lachje volgt.
Hij staat onder de schaduw van een boom, nog steeds achter het tuinhekje en laat zijn kale, ronde buik zien. ‘Echte mannen hebben geen borsthaar.’
‘Nou, laat die mannenborst dan maar eens zien’, zeg ik, me luchtiger voordoend dan hoe ik me voel.
‘Ik mag mijn shirt niet helemaal uittrekken’, zegt hij. ‘Dat is slecht voor het metaal.’
‘Oh, sorry.’

Even later is hij zonder iets te zeggen verdwenen.
‘Dat gaat wel vaker zo’, zegt mijn vriend. ‘Na een half uurtje gaat z’n moeder zich zorgen maken.’