de filosofie van de zwerver

Zelfs een zwerver zit wel eens ziek thuis. Dat wist ik ook niet. Ik kwam er per toeval achter door zwerver Willem. Hij was al een tijdje niet op straat gesignaleerd en direct gingen er geruchten rond over zijn overlijden. Hij zou in het water liggen. Nee, hij zou zijn aangereden door een dronken bestuurder – de ironie! Of nee, het was toch een nare ziekte. Zelfs het lokale krantje berichtte erover.


Een paar dagen na zijn vermissing dook Willem doodleuk op in de binnenstad, met een blik bier in zijn hand en een nieuwe jas om zijn schouders. Een paar kilo lichter, dat zag je wel aan hem, maar verder was hij zijn vertrouwde zwervende zelf. Hij had alleen even ziek thuisgezeten.

Waar hij nou precies had verpoosd, bleef me onduidelijk. Zoals wel meer onduidelijk bleef over Willem. Alleen als je hem zag, bestond hij. Als hij er niet was, betekende dat niet dat hij er niet meer was, hij was alleen niet op die plek op dat moment. Willem anticipeert niet op de verwachtingen die wij van hem hebben. Dat is zijn zwerversprivilege: hij hoeft aan niemand meer te laten weten waar hij is. Of daar ook maar op enige manier rekening mee te houden.


Zonder het bestaan op straat te romantiseren alsof Willem een soort Douwe Dabbert met knapzak is die door de landerijen trekt, – het zwervende bestaan is ontzettend zwaar – schuilt er een simpele logica in de zwerversfilosofie.
Je hebt honger, dus je zoekt een maal. Je hebt dorst dus je drinkt. En als de schemer valt ga je op zoek naar een slaapplek. Alles wat eventueel zou kunnen gebeuren is niet relevant, evenmin zijn de verwachtingen die je erover hebt belangrijk. De dingen gebeuren, of ze gebeuren niet. Verder vooruitkijken heeft weinig zin.

De twee keer dat ik Willem ontmoette maakte ik kort kennis met de zwerversfilosofie. De eerste keer was op mijn verjaardag in de zomer, ik wandelde met een volle krat bier terug naar huis en Willem rustte wat in de schaduw van een huis. Ik bood hem een flesje aan. Hij zei dat het niet zijn lievelingsbier was, maar dat hij wel dorst had. Met één grote teug leegde hij het flesje en zette het daarna terug in de krat.


De tweede keer dronk ik zelf bier in een café en wandelde Willem binnen. Er was een besloten feest gaande en hij bestelde een pilsje. Het was wederom niet zijn lievelingsbier, maar het was warm die dag en hij had dorst. Zijn flitsend gekleurde legging stak fel af tegen alle grijze colberts van de andere gasten. We kletsten wat over koetjes en kalfjes. Ik vond het leuk dat hij er was, maar na een biertje moest hij wegwezen van kastelein. Hij morde niet, maar stiefelde ontspannen naar buiten. De dorst was gelest, voor nu.


Toen ik gisterenavond in een piekerige bui op de bank zat, dacht ik terug aan de zwerversfilosofie. Ik hield me bezig met dingen die al dan niet zouden kunnen gebeuren, iets dat een volleerd zwerver niet zou doen. Na een poosje te hebben gemarineerd in minder effectieve gedachten, trok ik mijn jas aan en sjokte ik de straat op. Onzichtbaar kleine druppeltjes koude regen miezerden op mijn gezicht. De meeste mensen zaten binnen. Ik ging me al vrij snel zielig voelen en wilde terug naar huis. Ik dacht aan Willem. Waar zou hij nu zijn? En had hij ook last van dergelijke gevoelens? Ik vermoedde van niet. Het regent, dus hij schuilt. Waar hij straks naar toe zal gaan? Dat doet er nu nog niet toe.

laatvlieger

In de trein, na mijn werk, plof ik neer op het laatste vrije plekje. De jongen op de andere stoel zit te schrijven in een notitieboekje. Hij is zichtbaar geschrokken door mijn ietwat lompe plaatsname en krult zijn lichaam over zijn woorden.



Als je je gedachten aan het papier toevertrouwt, kun je geen pottenkijkers gebruiken, dat begrijp ik wel. Ik haal mijn laptop tevoorschijn, om zowel de jongen als mezelf gerust te stellen en tik wat woorden op het scherm.


‘De laatvlieger is een vleermuissoort die zo wordt genoemd, omdat hij later uitvliegt dan zijn collega vleermuizen. Ik had dat gehoord bij Vroege Vogels en vond het een mooi idee, een dier noemen naar zijn ritme, een beetje zoals wij elkaar een avondmens, of een uitslaper noemen, een luilak soms zelfs.’

Zuchtend zakt de jongen achterover, blijkbaar heeft hij alles wat hem dwars zat neergepend. Ik kan het niet laten. Ik moet kijken naar zijn tekst. Maar die is niet zichtbaar, zijn hand ligt nog op het papier. Zijn schouderophalende zuchten doen vermoeden dat hij een flinke last meedraagt. Ik tik verder.


‘De vlieg is het enige dier dat is genoemd naar zijn voornaamste manier van bewegen: vliegen. Paarden noemen we geen renners, vissen geen zwemmers. We kennen wel renpaarden en werkpaarden, maar die hebben we eerder al gekwalificeerd als ‘paarden’. Een vlieg doet natuurlijk meer dan vliegen. Hij landt op drollen, wast zijn pootjes als hij gevangen zit achter een raam en wandelt over wijnglazen. Maar wij noemen hem vlieg.’ 



De jongen is in zijn jas gekropen, zijn gezicht is nu helemaal aan het oog onttrokken en zijn verhaal ligt open en bloot op de klaptafel. Een rond, net handschrift zonder doorgekraste zinnen. Als je wil spieken moet je het nú doen. Maar ik weet me nog net te bedwingen. Sommige verhalen kun je beter zelf verzinnen, zeg ik tegen mezelf om mijn nieuwsgierigheid te sussen.

‘Een zwartkijker is iemand die de zaken somber inziet. Maar als het donker is in je, kan het juist wel handig zijn als je het zwart in kunt kijken. Dat je kunt zien wat daar is. Zoals dat als je maar lang genoeg je ogen openhoudt in een donkere kamer, je precies kunt zien waar alles zit; de deur, de kast, de bedrand. En het zwart opeens wat minder zwart is.


Vleermuizen hebben hun eigen manier van kijken in het zwart. Ze zijn praktisch blind en gebruiken sonargeluiden om de omgeving te leren kennen, toch bewegen ze zich op precies het juiste moment de nacht in, nooit te vroeg, nooit te laat, maar soms wel als laatste.’

nae bothers

Het is warm vandaag in Schotland. ‘De laatste zomerdag, maak er wat van’, zei de receptioniste van het hotel nog voor ik de deur uitging. Ik had een boekje meegenomen waar ik niks uit zou gaan lezen.
‘Ik hoorde het’, antwoordde ik. ‘De voorspellingen. Alleen maar regen na vandaag.’
Nae bothers’, zei ze terug. Wat zoiets betekent als: geen zorgen. Het is de laatste zomerdag, maar daar gaan we niet melancholisch over doen.

Ik ga zitten op het gras. Krijsende meeuwen overstemmen het rustige gekwebbel van de mensen die hier ook liggen. Stelletjes vooral, mannetje en vrouwtje en het mannetje iets dikker dan het vrouwtje. Buiken en gladde schedels als kale heuvels boven het groen uitstekend.

De pub die aan ons hotel vastzit loopt ondanks het mooie weer al vroeg vol. Meisjes met strakke topjes (vaak met hun moeder) komen als eerste binnen. De mannen, met spijkerbroeken en t-shirts (vaak van een voetbalclub), volgen later. En daarna ook wij.

‘Hoe kan een land zo mooi zijn en de mensen zo lelijk?’, vraagt mijn vriend C vanaf ons tafeltje bij het raam. Buiten schijnt de zon nog over de heuvels en het water, maar als drinken je hobby is, moet je naar binnen.

Bij ons is het precies andersom, denk ik. Het land is één groot rijtjeshuis, maar de mensen zien er goed uit. Op het terras, in de volle zon, zitten we prominent in de etalage. Een pub is juist een plek om je te verstoppen.


In de namiddag wandel ik aangeschoten weer naar buiten. Het gras is een beetje vochtig geworden en behalve de in het zwerfvuil rommelende meeuwen is er niemand meer.
 We zijn niet zo veel anders, die meeuwen en ik. Altijd zoekend naar iets beters. Denkend dat er in de volgende verpakking iets lekkerders zit. En dat betekent dat je elke frietbakje moet omdraaien om dat zeker te weten.

De volgende ochtend hangen er dikke wolken boven de baai. We ontbijten om de hoek waar de plakken spek de dikte hebben van een klein tijdschrift. Ze liggen op een stapeltje pannenkoeken, badend in ahornsiroop.
‘Misschien zijn de varkens hier dikker, en als je die veel eet, word je dat vanzelf ook’, zeg ik.
‘Ik ga sowieso meer eten in donkere maanden’, zegt C.

Na het ontbijt rijden we over een kronkelweggetje naar het noorden. Het wordt alleen maar mooier en het wordt alleen maar dreigender. Regendruppels als de eerste dikke tranen van een huilbui op het raam.
‘Het hoort er wel een beetje bij hè, dat slechte weer’, hoor ik iemand zeggen, misschien ikzelf wel. En niemand antwoordt als de bergen de horizon in beslag nemen.

fatigué

Het restaurant is een kippeneindje lopen vanaf het station. ‘Niks in vergelijking met 40 kilometer op één dag’, grapte ze aan de telefoon. Haar Franse tongval maakt haar Engels zangerig. Ik ben op weg naar Tours om een vriendin op te zoeken. Twee jaar geleden leerden we elkaar kennen toen we allebei de Camino naar Santiago liepen, maar sindsdien hadden we elkaar niet meer gezien. In de tussentijd heeft ze een restaurant geopend. ’En in januari ga ik trouwens een tweede openen’, sluit ze ons belletje af, ‘dan kan ik pas écht geld gaan verdienen.’

Als ik om half 1 mijn rolkoffer over de drempel van het restaurant hijs, mag ik meteen aanschuiven voor de lunch. Haar oma en tante zitten aan de stamtafel en ik moet in allerijl mijn camping-Frans uit de kast trekken. Je parle francais comme une vache espagnole, zeg ik. Ze lachen. Het zal wel goed zitten. Oneliners zijn er voor momenten dat je geen woorden hebt.

Mijn vriendin is overal. Achter de bar, in de keuken, wandelend met borden eten. Ze beweegt alsof ze dit al jaren doet. Haar proberen te volgen is even vermoeiend als het Franse gesprek tussen haar familieleden. Eén moment van onachtzaamheid en ik ben ze kwijt.

Als de lunch het nagerecht heeft bereikt, ben ik definitief afgehaakt. Het beleefde trage kinderfrans is vervangen door grotemensenfrans. De meeste woorden verdwijnen in een klankencarrousel die in mijn hoofd maar door blijft draaien. Als ik dan eindelijk heb bedacht waar het over gaat is het gesprek al een minuut verder.

Ca va Stie-ven? Het is mijn vriendin die de draaimolen stopt. Ze zet een espresso voor me neer.
Ja ja, een beetje moe van het reizen, antwoord ik in het Engels. Fatigué mompel ik er nog achteraan, maar ze is alweer verder naar de volgende klant.

De volgende dagen brengen we door rond het water, in cafés, op de fiets. Overal duiken familieleden en vrienden op. Overal hang ik erbij als een doofstomme. Genoeg kennis om me voor te stellen, te weinig om kennis te maken.

‘Waar schrijf je over?’ vraagt ze, als we aan het water zitten. ‘Over dit’, zeg ik, en ik wijs naar het uitzicht over de rivier. De ruisende bomen en glinsterende water. Maar ik lieg. Ik praat in mijn eigen taal tegen papier dat alleen maar zwijgt.

echte mannen

Ik ben aan het klussen aan het vakantiehuisje van een vriend als de buurjongen komt aangelopen. Marco heet hij, en blijkbaar komt hij wel vaker bij het tuinhekje staan om een praatje te maken.
Of ik wel eens slakken heb gegeten, vraagt hij na een tijdje, wijzend naar een huisslak op de vlonderplank.
‘Zo eentje?’ Plots voel ik dat ik gister teveel gedronken heb.
‘Ja, of een naaktslak.’

Elk jaar eten we (per ongeluk) zo’n acht spinnen, dat hoor je wel eens. Een slakje erbij zou dus zomaar kunnen, al is het wat onwaarschijnlijk dat zo’n bodemkruiper de weg naar je mond vindt.

‘Ik denk het niet’, zeg ik. ‘At je ze gewoon zo? Huis en al?’
Hij schudt zijn hoofd. ’We prikten ze op een stokje en hielden ze boven het kampvuur.’
‘Zoals marshmallows.’
‘Zoals marshmallows. Maar dan vies.’

Marco praat langzaam en nasaal, op het zeurderige af. Zijn woorden vormen samen zinnen, maar elk woord wordt als een aparte zin uitgesproken. Hij kijkt toe hoe we de vlonder voor het vakantiehuisje uit elkaar halen.
’Vier schroeven tegelijk, dat gaat sneller.’
Ik vraag hem hoe hij dat weet, van die schroeven.

‘Komt omdat ik van metaal ben’, zegt hij.
Na een motorongeluk heeft hij vijf jaar in een revalidatiekliniek doorgebracht, waarbij zijn verbrijzelde botten werden vervangen door metaal. Ze hebben hem letterlijk aan elkaar geschroefd. Hij vertelt het op dezelfde langzame en monotone manier. Alsof hij een boodschappenlijstje opleest.
‘En toen maakte mijn vriendinnetje het ook nog uit.’ Zijn schouders zakken en hij stopt zijn handen terug in zijn zakken. Voor het eerst hoor ik iets van emotie in zijn stem.
‘Ook dat nog’, stamel ik. ‘Dat was niet jouw week zeg’. 
Ik besef hoe dom ik klink, maar meer woorden heb ik even niet.

We werken al een een tijd in de zon. Zweetdruppeltjes trekken slakkensporen over mijn lijf. Ik doe mijn shirt uit en pak een glas water uit de kan.
‘Ha! Borsthaar!’, Marco kirt het uit, een mechanisch lachje volgt.
Hij staat onder de schaduw van een boom, nog steeds achter het tuinhekje en laat zijn kale, ronde buik zien. ‘Echte mannen hebben geen borsthaar.’
‘Nou, laat die mannenborst dan maar eens zien’, zeg ik, me luchtiger voordoend dan hoe ik me voel.
‘Ik mag mijn shirt niet helemaal uittrekken’, zegt hij. ‘Dat is slecht voor het metaal.’
‘Oh, sorry.’

Even later is hij zonder iets te zeggen verdwenen.
‘Dat gaat wel vaker zo’, zegt mijn vriend. ‘Na een half uurtje gaat z’n moeder zich zorgen maken.’

grote poes

Deze week paste ik op de kat van vrienden. ’t Was nogal een wilde, die naar me blies en uithaalde als ik in de buurt kwam. Ik gooide wat brokjes in z’n voerbakje en liet het idee varen dat ik hem wilde aaien. Het blijft een wild dier, zei ik tegen mezelf, twee keer het slot op de deur controlerend.


Hoe vals ook, de oppaskat viel nog mee bij de beesten die ik op Instagram tegenkwam.
 In de voorgaande weken had ik een fascinatie ontwikkeld voor mensen met té grote katten in huis. En dan heb ik het niet over een dikke rooie kater, of een wollige Maine Coon. Nee: een volwassen man die slaapt met een poema in bed, en een stelletje dat de woonkamer deelt met een lynx.



Vraag me niet hoe ik er bij kwam. Ik drukte gewoon op dat loepje onderin de app, waarin dan een semi-willekeurige grabbelton aan foto’s verschijnt. Daar zaten ze tussen, de foto’s van mensen met wilde roofdieren aan de keukentafel.



Misschien wat minder toevallig: die grote-poezen-fascinatie kwam toen het bij mezelf al een tijdje niet meer wild was. De dekens lagen als een rimpelloos meer op mijn bed en ik had meer gelezen dan gestoeid. Sleur sloop stiekem het leven in. De noodzaak voor een avontuur leek me dringender dan ooit.

Maar ik ken dat met avontuurtjes (en ik heb het nu niet alleen over slaapkameravontuurtjes), elke keer als ik me er een voorneem kom ik er op terug. Dan verkneukel ik me bij het idee en verzand ik vervolgens in praktische bezwaren.

Maar volgens mij is dat iets menselijks. Avontuur willen, maar dan wel weten waar je aan toe bent. Zo veranderden wij mensen de wolf in poedels en chihuahua’s; kleine kuttenlikkertjes die al in paniek raken als er een brief op de mat valt. En nu wandelen we met dat adaptieve eindproduct en een plastic zakje voor z’n drolletje naar een uitlaatveldje.


Een beest dat elke dag een hele kip verscheurt, lijkt opeens niet meer zo’n gek idee. Een beest dat – mocht z’n hoofd er naar staan – jou ook verscheurt. Maar het is wachten tot we dan proberen ons hoofd in de muil van de leeuw te stoppen, de ultieme controle over het wilde. Wat een avontuur. En ik maar zeuren over een pittig katje. 



https://www.instagram.com/l_am_puma/
https://www.instagram.com/ariel.caracat/

Ik ben blij dat we er niet blijven slapen

Een paar jaar terug hoorde ik een liedje over Charleroi. Het was van Tom Pintens en hij speelde het live bij De Wereld Draait Door. Veel wist ik niet van de stad. Ja, het was een vervallen industriestad, de lelijkste stad ter wereld volgens velen. Oh, en Marc Dutroux had er zijn horrorkelder. Het liedje van Tom Pintens was echter lief, zacht voor de mensen die er wonen. Toen ik het hoorde wist ik dat ik erheen zou gaan. Een andere reden kon ik bij mezelf niet ontdekken.

image

*foto door Olivier van Breugel



Na anderhalf uur rijden we de stad in. Een slinger van verhoogde wegen leidt ons naar het centrum. We zijn de enige toeristen, zoveel is direct duidelijk. Nieuwsgierig naar de geveltjes aan het kijken, met onze neuzen tussen de kieren van een afgetimmerd pand.

Rondje centrum dan maar. Veel kleine winkeltjes met plastic rommel. Veel dichte cafés ook. Overigens allemaal herkenbaar aan een schreeuwerig Jupiler logo dat er nog hangt. Een herinnering aan toen alles nog stroomde. Lusten de mensen hier geen bier? Misschien zijn ze er net als ik achtergekomen dat Jupiler een overschat pilsje is. Dat drinkt een liefhebber niet. 



We wandelen café du Monument in, eveneens met Jupiler logo, maar wél geopend. Binnen ruikt het naar overstroomd toilet. We zijn blij dat we niet kunnen pinnen, omdat het ons een excuus geeft rechtsomkeert te maken. Pinnen kan overigens in geen enkel café in Charleroi. Je zou ook gek ook zijn om je belastingopgave hier netjes te doen.


Midden in de stad is een plein met een kapotte fontein. Een zevensprong van straten waaiert vanaf hier uit de rest van de stad in, maar geen enkele lijkt echt ergens naar toe te gaan. Op het plein bevindt zich ook het Maison du Tourisme. Maar, er is een grote plaat pershout tegen de pui van het Maison getimmerd. Typisch, zeggen we. Zie je wel. Wat een verpauperde stad, het is nog erger dan we dachten. We maken een foto van het gebouwtje, wandelen verder en zien dan dat het toeristenhuis verbouwd wordt. De ingang zit aan de zijkant en drie dames van middelbare leeftijd zitten achter een balie te wachten op gasten. We voelen ons een tikkie beschaamd. Ontmaskerd als ramptoeristen. 



Nu onze oogkleppen zijn afgeworpen kunnen we echt naar Charleroi kijken. Leeg vinden we het, er zijn maar weinig mensen op straat voor een stad ter grootte van Eindhoven. Maar je ziet dat de Carolos hun best doen er iets van te maken. Zo is er een fraai opgeknapte promenade aan de rivier de Sambre, nabij het station, waardoor de entree van de stad er voor treinreizigers chique uitziet. 


In een zijstraatje van de promenade, in de Rue de Brabant, komen we een brewpub tegen. Betonnen gietvloertje, bartafels van robuust hout, glimmende brouwketels midden in de zaak; het had zo in Amsterdam kunnen staan. Alleen is het hier niet stervensdruk met hipsters, er zitten dezelfde mensen als in café Monumental.


Op andere plekken werkt het opkalefateren van de stad minder goed. Kleurrijke muurschilderingen veranderen niet veel aan het apocalyptische beeld. Halfingestorte huizen in een straat waar de laatste bewoner dapper probeert de straat levend te houden.
 Maar slechte ideeën zijn oké, daar worden de goede juist beter van.

image

*foto door Olivier van Breugel

Als je problemen van steen zijn, vraag ik me af of de oplossingen ook van steen zijn. Ik weet het niet. Elke keer als je iets hebt opgeknapt, is er iets anders weer verloederd. Hoe hard je ook probeert, het blijft vechten tegen de bierkaai. Van die vaststelling word ik een beetje mistroostig.

Maar cynisme is wel de laatste optie voor Charleroi, dan kun je de boel beter opdoeken. Dan zeg je dat verandering nooit mogelijk is. Kun je alle olie en kolen ter wereld lekker opstoken omdat alles toch wel naar de klingelklangel gaat. Dan ben je als de roker die zegt: ‘ach, je moet ergens aan dood gaan’. Nee, ne me quitte pas Charleroi. Volle kracht vooruit! En zoals Tom Pintens al zong:

Pays noir
De zon schijnt ook voor haar
Het is geen bedelaar


In het vroege duister knabbelen we bij een parkeerplaats aan de Sambre uit een puntzak friet.
‘Ik ben blij dat we er niet blijven slapen’, zegt mijn maatje. 

Dat was in ieder geval een goed idee.


eco-beker



Ik ben sinds kort iemand met een eco-beker. Een groene, nota bene. Ik neem hem mee op pad en zeg dan tegen de cafeïne dealer van dienst, vlak voordat hij de koffie in een wegwerpbekertje giet: ‘ik heb mijn eigen beker’, en presenteer dan mijn bamboe koffiedrager. 



Het is moeilijk om je niet moreel superieur te voelen als je je eigen beker tevoorschijn tovert. Ik hou wél rekening met het milieu, staat er op. Althans, dat denk ik dan dat anderen lezen.

Bij een recente fill bij de Kiosk in Eindhoven bleek ik korting te krijgen. Dat had ik kunnen weten, want er stond: 20 cent korting bij gebruik eigen beker. Ik had ook een volle spaarkaart.

‘Dan krijgt u een gratis drankje’, zei de man achter de balie.

‘Dat is fijn. Ik heb trouwens mijn eigen beker’.
‘Ho ho, dat kan zo maar niet. Het is óf korting, óf een gratis drankje.’ Hij plaatste zijn handen in zijn zij. 



U moet zich voorstellen: dit was op maandag om 07:45 uur en ik was nog niet helemaal wakker, dáár moest die koffie juist voor gaan zorgen. 

‘Ehm, doe dan maar gratis, denk ik?’
‘Dit soort geintjes moet je bij mij niet flikken.’ Hij zette de beker op de balie. Koffie klotste over de rand.



Achter mij stond een rij wachtenden. Medejunkies. Ze keken boos en ik wist niet of dat kwam omdat ik iemand was met een eigen beker, of omdat ze dachten dat ik de boel probeerde te flessen. Ik verliet de rij. Met koffie. In mijn eigen beker.


In de trein speelde ik de scène nog eens af. Blijkbaar had ik de beslisboom van deze barrista uitgespeeld en braken de takken van zijn logica daarna af. Er is een dunne grens tussen eigenwijsheid en domheid en vandaag wandelden de man van de Kiosk en ik daar samen overheen. Ik keek naar de eco-beker. Nou je zin?, zei ik in mezelf. Maar hij had het antwoord ook niet.

1 melk

Als kind bezocht ik vaak de slager. Mijn moeder stopte een boodschappenlijstje in mijn hand, ik las dat briefje voor aan de slager en de slager gaf me een plakje Bassie boterhamworst. Toen ik ooit hef-om-haf gehakt bestelde, omdat ik dat dacht te lezen, en ik smakelijk werd uitgelachen door de slager en zijn vrouw (de slagerin), smaakte het plakje worst niet meer.

Sindsdien ben ik vastberaden elk briefje te ontrafelen. Dit uitpluizen stopte niet bij briefjes die ik zelf kreeg toebedeeld. Ik inspecteerde ook briefjes die ik vond in winkelwagentjes. Van mijn jaszakken maakte ik een weeshuis voor achtergelaten lijstjes.



Gister redde ik een rood post-it-je van de vuilbak:


1 melk

vlees kids

eten hond
frut


Los van het feit dat vlees kids en eten hond vage beschrijvingen zijn die (al na gelang hoe luguber je geest is) meerdere kanten op kunnen gaan, opent dit lijstje een raampje naar de familie achter het lijstje. Feiten: er is een hond, er zijn kinderen en die kinderen zijn niet vegetarisch. 



Een verdere distillatie van de feiten leidt tot interpretatie, maar die vrijheid geven boodschappenlijstjes. 
Zo staat er: hond, en niet: hondje. Een flink beest dus, formaatje herder. Een vals beest ook, dat je niet bij z’n naam noemt. Er staat immers niet: eten Bello, of Poekie. Het kan ook zijn dat ze met hond haar bullebak van een partner bedoelt die zijn eten ondankbaar naar binnen schrokt.

De schrijver heeft het ook niet zo op vegetarisme. De kinderen moeten niet alleen eten, nee de kinderen moeten vlees. Met enige waarschijnlijkheid durf ik te stellen dat haar stemvoorkeur rechts van het midden ligt. Dat frut (ik vermoed fruit), is ronduit slordig. Als ik dat als kind had gelezen had ik friet meegenomen in plaats van fruit. 



Enfin, ik kan zo nog even doorgaan. Met de gauwigheid waarmee het briefje is opgeschreven, is het ook weer vergeten. Achtergelaten in een winkelmandje. Het vergeethulpje dat zelf wordt vergeten. En totale vergetelheid ligt op de loer: briefjes zullen vrij vlot uitsterven onder de druk van een hyperefficiënte concurrent die zelden wordt vergeten, de telefoon.



Woorden als frut worden automatisch verbeterd in fruit. Nooit meer de mogelijkheid om de schuld te geven aan onduidelijke boodschappenlijstjes. En geen slager meer die je kan uitlachen.