knecht

Daags voor ik dit stukje tikte, reed ik op mijn nieuwe oude fiets vanaf het station richting huis. Tussen alle tevreden fietsers door, zoefde ik even tevreden mee op mijn Peugeot uit de tijd dat die nog racefietsen maakten. Ik hield mezelf zo stil mogelijk, mijn rugzak roerloos op mijn rug. Tot ik plots zacht geratel achter me hoorde.



In een vlugge blik naar achter zag ik gladgeschoren kuiten, een helm en een aangesloten zonnebril. Een als professional verklede amateur was in mijn wiel gekropen. Als ik remde, remde hij ook. Ik kon bijschakelen, versnellen, maar hem niet afschudden.


Even daarvoor, in de trein, vulde ik mijn Tourpoule in en was ik me er op bedacht om geen knechten op te stellen; degenen die de wind breken voor anderen met een hogere statuur. Nu was ik zelf ingelijfd als knecht. Blijkbaar is dat geen keuze. 

Enfin, we fietsten nog even verder. De kopman en zijn knecht. Hij was geenszins van plan te vertrekken. Zo gaat dat met dingen waar je niet om hebt gevraagd. Hoe liever je wil dat ze weg zijn, des te hinderlijker is hun aanwezigheid.


Wat ik weet van wielrenners is dat ze van je overnemen en op kop gaan rijden als je je elleboog een keer kort naar buiten beweegt. Dus ik bewoog mijn elleboog kort naar buiten in de hoop dat die bloedzuiger zou overnemen en ik me uit zijn teugels kon losmaken.



Maar dat deed hij niet en mijn huis kwam in zicht. Even voelde ik de aandrang om m’n woning straal voorbij te rijden en voor hem uit te blijven rijden, tot waar hij dan ook naar toe moest. Tot in de lengte der dagen zou ik wind vangen voor mijn kopman. Gelukkig sloeg de helderheid in en kneep ik in de remmen. Verbaasd stopte hij ook, keek me glazig aan en reed door. ‘De Tour start in Brussel maat’, riep ik nog. Maar hij was al vertrokken.