Op weg naar mijn vriend C. fietste ik over een stuk prei. Tot dan toe had ik ze proberen te ontwijken, maar op een gegeven moment lag de hele weg bezaaid met dode preien. Ik stopte om de sliert van mijn wiel te plukken en keek naar de overkant waar een man in de voortuin een peuk stond te roken. De man keek alsof dit dagelijkse gang van zaken was.
‘Oogst die niet meer verkocht kan worden’, zei C. Naast het huis waar hij verpoost ligt een akker vol preien die nog in de grond staan. De boer laat ze verdorren en er woont nu een fazant tussen de uitgelopen stengels.
In de middag schoten we met een luchtbuks deukjes in een pannetje dat we tegen het hek plaatsten. Het eerste schot was raak, het tweede en derde schot verdwenen in het preienveld. We aten frambozen en zeiden zonder het te zeggen dat we het zo nog wel een tijdje konden volhouden. De fazant hebben we niet meer gezien.