Omdat een avondklok iets is wat ik alleen ken uit films, of nieuwsberichten over ver-weg-landen, gaf ik mezelf vanavond alvast de kans om ermee te oefenen. Een soort generale repetitie. Om half acht liep ik naar buiten. Met een stevige pas, want om acht uur moest ik binnen zijn. Als het vanavond niet lukte kreeg ik geen gummyknuppel in mijn nek of een prijzige boete. Slechts een bestraffende gedachte zou door me heenschieten waar ik verder niemand deelgenoot van zou maken.
Meerdere mensen waren aan het oefenen met avondklokken, want er er was nu al bijna niemand meer te bekennen. De spaarzame wandelaars die ik tegenkwam hadden de schichtige blik in hun ogen die me deed denken aan dieren die ’s nachts gaan drinken bij een waterpoel.
Eerder op de dag vroeg ik aan een collega: wat komt er hierna? Wat als ook dit niet genoeg is? Er kwam geen antwoord, omdat het antwoord nogal onverkwikkelijk was. Ik moest denken aan de keer dat ik een hoge berg op fietste en dat ik toen niet op het kleinste verzet wilde rijden. Ik vond het fijn om nog één tandwiel over te hebben waar ik naar kon terugschakelen in geval van nood, om hem vervolgens niet te gebruiken. Als ik moést terugschakelen was de nood namelijk veel te hoog.