Het leegstaande huis naast mij is verkocht. Onder voorbehoud, zei het bordje en sindsdien zijn de gordijnen van de woning open. Vanochtend stond een mevrouw met haar handen in haar zij het huis te inspecteren.
‘Hallo’, zei ik, ‘bent u de nieuwe bewoner?’
‘Ik ben de taxateur. Mag ik je wat vragen stellen?’
Ze vroeg naar een paar algemeenheden en wees toen naar de overkant van de straat. ‘Zijn dat sociale huurwoningen?’
‘Ja.’
Een frons trok over haar gezicht. ‘Heb je daar érg veel last van?’
Ik dacht aan de sociale huurflat waar ik tien jaar heb gewoond en de vrienden die ik in het complex heb gemaakt. Als je alles door een financiële lens bekijkt, zijn tegenoverliggende sociale huurwoningen plots een obstakel die je investering kunnen bedreigen. Ze deed eigenlijk precies wat je van een taxateur mocht verwachten.
‘Je wilt niet weten’, zei ik en hoopte verwarring te hebben gezaaid.
Later die ochtend begeleidde ik studenten bij een project over inclusie. Ze bedachten voorbeelden waar en wanneer inclusie een rol speelt en probeerden te ontrafelen wat het nou eigenlijk betekent. De toeslagenaffaire werd genoemd, etnisch profileren bij de politie, pesten op scholen. Ik vroeg wie van hen graag op kamers wilde wonen, maar het niet kon betalen. Een paar handen gingen omhoog.
‘Maar dat heeft er toch niks mee te maken?’, zei een student. ‘Dan moet je gewoon harder werken.’
Je kunt niet voorzichtig genoeg zijn in de keuze van je ouders, is een gevleugelde uitspraak van mijn vader. Ik wilde de discussie niet politiseren of verder sturen, dus herhaalde ik deze uitspraak alleen in mijn hoofd. Ik vertrouw erop dat ze straks, aan het eind van hun studie, in de smiezen hebben dat – zoals Rutger Bregman mooi zei – armoede geen gebrek aan karakter is, maar een gebrek aan geld.