Mijn boekenkast werd te vol en daarom heb ik deze week een kleine selectie naar de straatbibliotheek gebracht. Een minibieb biedt boeken een tweede leven, maar stiekem weten we wel beter. Het is een sterfhuis, een laatste halte voor de papierbak. Toen ik het kastje van de bieb opende, dacht ik aan mensen die hun ouders in een bejaardentehuis stoppen als ze oud en lastig worden.
Vandaag liep ik tijdens mijn thuiswerk-wandeling weer langs de bieb. Ik keek of mijn verweesde boekjes er nog stonden en mijn hart maakte een sprongetje toen ze nergens te bekennen waren. Zou het dan toch? Karen Slaughter stond er nog, een bijbel, twee keer Peter Buwalda, een boek over tuinieren, maar geen van mijn boeken.
Even later kroop er twijfel in mijn optimisme toen ik langs een illegale kerstboomverbranding liep. Iets gaf me het gevoel dat de belezenheid van de buurt niet zo hoog was. Ik liep opnieuw naar de bieb en vond mijn boeken op de tweede rij achter een boek over horoscopen. De gedachte alleen al dat ze tussen de ordinaire reclamefolders terecht zouden komen, of erger nog: tussen de Zalando-dozen!
Met een stapeltje boeken wandelde ik terug naar huis. Een van de Buwalda’s zat er ook bij, maar zoals ik al tegen hem zei: je moet wel op de grond slapen, want in de kast is geen plek.
Categorie: Geen categorie
woensdag 10 november
Omdat ik op een verjaardag was met spirituele types, ontkwam ook ik er niet aan om een kaart te trekken. De walvis was al geweest, net als de olifant en de volgende kaart zou bepalen wie mijn spirit animal was. Ik hoopte op een katachtige, het liefst een luipaard. Het werd de havik. Daarmee was het nog niet gedaan, er hoorde ook een boodschap bij die luidde dat ik met haviksogen op de signalen van het universum moest letten. Zeker schijnbare toevalligheden mocht ik niet aan me voorbij laten gaan, want daar lag de boodschap in besloten.
Aangezien het leven uit toevalligheden en willekeur bestaat vond ik het nogal een ingewikkelde opdracht. Had mij de vlinder gegeven, dan kon ik fladderend door het leven gaan. Ik knikte beleefd, maar als havik wilde ik opmerken dat ik nog een kaart kon trekken en dat die dan ook precies voor mij zou zijn, maar zo werkte het blijkbaar niet. Het lot wordt maar één keer gegeven. Dus beloofde ik dat ik er deze week op zou letten en vergat het bij het derde biertje.
Toen ik gisteravond thuiskwam, hing er een heksenpop aan mijn deur. Halloween was al ruim een week geleden, hoe kwam dit hier? In allerijl appte ik mijn buren – maar die wisten van niks – en daarna gelijk de organisator van de verjaardag: een heks aan mijn deur? Wat wil het universum mij vertellen?
Kwestie van boze geesten, dacht ze, die kun je gelukkig wegsturen, als je het maar met overtuiging doet. Boze geesten, dacht ik, alsof ik het nog niet druk genoeg heb.
Samen met de heks nam ik de trap naar een verdieping lager, daar waar een buurvrouw woont met een pompoen voor de deur en dromenvangers achter het raam. De heksenpop zette ik bij de pompoen. En heel zachtjes, zachtjes maar beslist, fluisterde ik: en niet meer terugkomen!
zelfisolatie dagboek – dinsdag 11 mei
Deze week ging het twintigste sushirestaurant van de stad open. In het krantenbericht werd het aangekondigd met een mengeling van verbazing en trots. Je moet wel een serieuze plek zijn als liefst twintig rauwe visrollers zich in je stad hebben gevestigd. Misschien richten ze wel hun eigen gilde op, met wapenschild en al; stuwen ze de stad tot grote hoogte door hun rijkdom in verbluffende bouwkunst te steken, zoals de gilden in de Middeleeuwen dat ook deden.
Het wrange aan het bericht is dat het tempo waarmee de tonijn zich voortplant, geen maat houdt met onze eetlust. Toen ik onlangs in Maastricht was, zag ik daarvan de eerste voortekenen al in de magneetvissers die op de kade stonden.
‘Bijten ze een beetje?’ riep ik naar beneden.
‘Vandaag niet. Gisteren heb ik een revolver opgevist.’
Ik vroeg hem wat voor soort, alsof ik het verschil kende, maar dat wist hij ook niet. ‘Gewoon om mee te schieten’, zei hij.
Metaal kun je niet eten. Vissen kunnen niet schieten. Ook het sushigilde zal plaats moeten maken, zoals het schuttersgilde dat al eerder deed. Want dagvers kan het niet lang blijven.
zelfisolatie dagboek – dinsdag 23 maart
Omdat er tijdens de avondklok nog niet bij me was aangebeld, schrok ik flink toen de bel gisteravond om 10 uur ging. Het was de buurvrouw. Ze was in paniek, want er was een harde piep in het gebouw waardoor ze niet kon slapen. ‘Komt het misschien uit jouw huis Steven?’
Mijn wasmachine stond uit, de koelkast zoemde zachtjes, maar dat kon het toch niet zijn.
‘Ik heb al bij zes buren aangebeld. Niemand weet wat het is. Ik word gek!’
Vanachter haar vierkante brilletje keken een paar vermoeide ogen naar me. Ze stond al met één been binnen toen ze zei: ‘Ja hier hoor ik het! Het komt uit jouw huis.’
Ik hoorde de piep ook, een zeurderige toon, het geluid dat nog in je oren zoemt nadat de rookmelder is afgegaan.
Ze liep terug naar buiten en trok het kleed dat ze in de haast had gepakt wat strakker om zich heen. Ook hier buiten klonk de piep. En toen wist ik het. ‘Buurvrouw, de piep komt van jou.’
‘Nee nee, want hij klinkt hier!’
‘Heb je geen horloge om of iets?’
Ze graaide wat onder haar kleding en daar was de dader: een klein kastje dat om haar nek hing.
‘Ooh het is mijn pacemaker! Oh gelukkig maar!’
zelfisolatie dagboek – dinsdag 2 februari
Ik sloeg de persconferentie van vanavond over. Niet weten hoe de zaken gaan lopen, leek me een stuk makkelijker als ik me van de domme hield. Tijdens het hardlopen praatte mijn vriend T. me alsnog bij: ‘basisscholen open, maar niét de buitenschoolse opvang. Winkels open, maar alléén het loket’, en nog zo wat bij-elkaar-gepolderde afspraken. Ik werd er niet mismoedig van. In tegendeel.
Het was duidelijk dat belangen werden afgewogen. Dat het niet makkelijk was, maar dat er iéts moest gebeuren. Dat het waarschijnlijk geen goede afspraken waren, maar dat het in ieder geval overwogen keuzes zijn. En omdat kiezen bij een dilemma altijd ergens schade oplevert, was het goed dat het zorgvuldig gebeurde.
In de ochtend sprak ik met een collega docent over het nakijkwerk en de lastige keuzes die maken of iets voldoende of onvoldoende is. Eindeloos kan ik daarover wikken en wegen. Hij bracht in dat je ook eindeloos op een rotonde kunt blijven rijden, maar op een gegeven moment toch zult moeten afslaan. Als de weg dood loopt, kun je altijd weer terug naar de rotonde.
Het beeld doemde op dat we in een busje zitten – met Mark Rutte als chauffeur – en heel voorzichtig aan het voorsorteren zijn. Echt afslaan kun je het nog niet noemen, maar de richtingaanwijzers staan aan.
zelfisolatie dagboek – dinsdag 19 januari
Omdat een avondklok iets is wat ik alleen ken uit films, of nieuwsberichten over ver-weg-landen, gaf ik mezelf vanavond alvast de kans om ermee te oefenen. Een soort generale repetitie. Om half acht liep ik naar buiten. Met een stevige pas, want om acht uur moest ik binnen zijn. Als het vanavond niet lukte kreeg ik geen gummyknuppel in mijn nek of een prijzige boete. Slechts een bestraffende gedachte zou door me heenschieten waar ik verder niemand deelgenoot van zou maken.
Meerdere mensen waren aan het oefenen met avondklokken, want er er was nu al bijna niemand meer te bekennen. De spaarzame wandelaars die ik tegenkwam hadden de schichtige blik in hun ogen die me deed denken aan dieren die ’s nachts gaan drinken bij een waterpoel.
Eerder op de dag vroeg ik aan een collega: wat komt er hierna? Wat als ook dit niet genoeg is? Er kwam geen antwoord, omdat het antwoord nogal onverkwikkelijk was. Ik moest denken aan de keer dat ik een hoge berg op fietste en dat ik toen niet op het kleinste verzet wilde rijden. Ik vond het fijn om nog één tandwiel over te hebben waar ik naar kon terugschakelen in geval van nood, om hem vervolgens niet te gebruiken. Als ik moést terugschakelen was de nood namelijk veel te hoog.
zelfisolatie dagboek – donderdag 7 januari
Tijdens het ontstoppen van de gootsteen denk ik aan een vetberg die ooit het Londense riool verstopte. Decennia van wc-papier en vuiligheid zorgden voor een infarct in de leidingen. Op de achtergrond schreeuwt de televisie steeds verontrustender nieuws over de bestorming van het Capitool. Ik ga er driftig van in de weer met de ontstopper.
‘Heb je al chemicaliën gebruikt?’, hoor ik mijn buurvrouw me nog zeggen terwijl ze me de ontstopper geeft. Grof geschut, noemt ze het, maar noodzakelijk.
Ik neem een pauze om de flitsende nieuwskoppen te bekijken. De poorten van het Capitool zijn ondertussen geslecht. Mannen in berenvellen wandelen nu over de balustrades van het gebouw. Ik moet vaart maken. Mijn bezoek komt eraan en je slaat een modderfiguur met een volgelopen gootsteen.
Terwijl ik een laatste poging doe met de ontstopper, klinkt er een gorgelend geluid uit het binnenste van de leidingen, alsof er een boer omhoog komt. Alle vuiligheid is vloeibaar geworden.
‘Ze zitten in de Senaat’, roept de nieuwslezer.
zelfisolatie dagboek – dinsdag 5 januari
Ik kijk de afgelopen weken veel reisprogramma’s. Het liefst van het kneuterige soort waarbij een oudere presentator over een knisperend grindpad een Frans dorpje binnenwandelt. De zon brandt, de meeste mensen slapen, er is niet zoveel te zien of doen. De presentator vertelt over een veldslag die er in de Middeleeuwen plaatsvond en aan een oude vrouw op een bankje vraagt hij wat ze er nog van weet – alsof ze zó oud is dat ze het zelf nog heeft meegemaakt. Ze keuvelen wat en ondertussen zoemt de zomer over de velden waar ooit klaroengeschal heeft geklonken.
Vreemd genoeg kan ik me bij dergelijke programma’s beter concentreren dan bij alles wat er op Netflix te vinden valt. Het lage pitje past denk ik goed bij de snelkookpan die het leven in een lockdown is. Het vertraagt de opwarming van de hersenkap.
Serietips van anderen: ze worden instemmend aanvaard en vervolgens in de prullenla van mijn geheugen gefrommeld. Ik wil niet zo ver gaan door te stellen dat mijn programma’s beter zijn, of verhevener, maar ik kan ze volledig belangeloos bekijken. Niemand kijkt met me mee en mocht ik het in mijn hoofd halen ze aan te raden aan vrienden, weet ik met een aan zekerheid naderende waarschijnlijkheid dat ze zullen zeggen: ‘maar heb je Vikings al gezien?’
zelfisolatie dagboek – maandag 4 januari
Direct na mijn werk was ik gaan hardlopen. Het zou me goed doen. Buiten blies ik wolkjes de lucht in en stoomde de warmte van me af. Maar nu ik mijn perfect getemperatuurde huis binnenliep (de thermostaat stond al de hele dag op een comfortabele 21 graden), stopte het dampen onmiddellijk en kreeg ik het gelijk fris. Mijn armen hingen als de ledematen van een sneeuwpop langs mijn lijf en ik probeerde wat leven in mijn handen te blazen.
Ik ijsbeerde tussen de keuken en woonkamer op en neer. De hele dag had ik braaf in deze ruimte zitten werken. Een rondje hardlopen was het uitje van de dag geweest. Het duurde 40 minuten.
Dat ik hier opnieuw een avond ging doorbrengen was even onvermijdelijk als frustrerend. Opnieuw een avond in deze veel te aangename ruimte, waar het altijd lekker warm was en ik niemand anders de schuld kon geven als de thermostaat verkeerd stond afgesteld.
Het vervelende aan je geduld verliezen is dat je niet weet wanneer je het weer hervindt. Het is een ruzietje met jezelf dat je maar niet wilt bijleggen. Een smeulend binnenbrandje. Er zullen mensen zijn die zeggen: joh, ga een rondje rennen, je voelt je vast beter daarna. Ik ken die mensen maar al te goed, ik hoorde het mezelf nog hardop zeggen toen ik mijn schoenen aantrok. Maar dat is ’t m nou juist: daar begon de ellende allemaal.
zelfisolatie dagboek – maandag 21 december
Zo gauw er moet worden verhuisd, word ik als lastdier ingeschakeld. Corona of geen corona, spulletjes moeten van A naar B gesjouwd worden en blijkbaar achten mensen mij daar geschikt voor. Vandaag was het atelier van mijn vriend O. aan de beurt, dat naar een leegstaand schoolgebouw in Hoogvliet verkaste.
Het schooltje stond op een open plek tussen twee galerijflats. Op het natgeregende terrein hielden nog een paar speeltoestellen dapper stand. Misschien was het dat beeld: een gelig klimrek tegen een verder grijze achtergrond, dat de oostblok-associatie in me opkwam, of misschien was het toch die niet aflatende regen en de flatgebouwen.
‘Beetje doorlopen joh, anders worden je plankies nat.’ Een man met een grote zwarte bril en een klein gevlekt hondje lachte naar me. Het was dan wel oostblok, maar ze spraken hier Rotterdams. De man sjokte weg, een poepzakje bungelend in zijn rechterhand.
Toen het sjouwwerk erop zat, stonden we even stil rond een kleine kerstboom bij de entree. Achter een deur klonk het geluid dat doorging voor het ritmische getik dat een draaiende wasmachine maakt. We klopten op de deur om te kijken of er iemand was. Een drummer deed open, hij zat midden in een oefensessie. De ruimte was tot het plafond gevuld met djembés en op de vloer lag een warm kleed.
’Allemaal kleine wereldjes’, zei een medeverhuizer toen de deur dichtging en het getik weer begon. ‘Achter elke deur een andere.’