Ik vertik de verwarming boven aan te doen en dus zit ik vanavond met een deken over mij heen achter de laptop. Vrienden zeggen het als een uitdaging te zien, een experiment – kijken hoe lang ze zonder verwarming kunnen. September zullen ze redden, daarna zullen ze zwichten. Al dan niet door het gemopper van hun lief. Voor mij is het pure koppigheid. Ik brom en pruttel mezelf deze dagen door.
Wat dan helpt is lezen. En deze week was dat in De Laatste Witte Man, van Mohsin Hamid, waarin witte mensen plotsklaps van kleur veranderen tot er bijna geen wit persoon meer over is. Het is een prachtig boek over identiteit en discriminatie en het laat je je afvragen: wie ben ik zonder mijn huidskleur? En hoeveel hecht ik eraan? Dat de titel nogal provocatief is en zomaar de titel van een extreemrechts pamflet had kunnen zijn, geeft die vragen alleen maar extra lading.
Precies om die reden werd ik boos aangekeken in de trein toen ik het boek tevoorschijn haalde. Of althans dat dacht ik dan, dat ze boos keken en dat dachten. Dachten dat ik een extreemrechts pamflet las. Ik wilde zeggen dat het daar niet over ging, nee, het tegenovergestelde was waar – ik ben geen bruinhemd – maar ik zei niets en besloot het boek te gaan kaften voor toekomstige OV-verplaatsingen.
Wie ben ik zonder verwarming vraag ik me nu af. Nog steeds een mopperende man, wit ook. Eentje die het goed heeft, er spreekwoordelijk ‘warmpjes bij zit’, eentje die jammert over energieprijzen, maar nog steeds kan kiezen of hij hem wel of niet aandoet. Eentje met een deken, die de luxe heeft om koppig te kunnen zijn.
woensdag 21 september
Op 20 september wandelde ik over het 18 Septemberplein in Eindhoven. Het was markt en alle kramen stonden waar ze altijd staan. De kaasboer naast de visboer en daarnaast de gegrilde kippen die draaiden om hun eigen as. Zelfs de telefoonhoesjesboer was aanwezig. Zijn kraam had geen klandizie. Dat is begrijpelijk want het rook er niet zo lekker als bij de kar waar noten werden gebrand. Alles was hetzelfde, er was alleen iets bijgekomen.
Net buiten de markt verzamelde zich een groepje demonstranten. Sommige droegen omgekeerde Nederlandse vlaggen als capes, andere droegen een trui met daarop: landverraders.eu. Ze verkeerden in opperbeste stemming. Het was lekker fris buiten deze ochtend en er was iemand met een thermoskan koffie – een zakje stroopwafels ging rond.
Even verderop stond ook een nieuwe kraam met een grote banner: Plastic rietjes op = op.
‘Nu mag het nog’, mompelde een vrouw tegen de verkoper. Ze stopte haar tas vol. De omgekeerde-vlaggendragers begonnen aan hun wandelingetje over de markt. Ze floten en deelden een onbegrijpelijk flyertje uit. Ik was benieuwd waar ze gingen stoppen en of ze dan een half haantje of een bakje kibbeling zouden nemen.
Ik kon niet lang genoeg blijven om het te aanschouwen. Ik moest gaan werken. Volgende week is het 27 september en dan zal alles hetzelfde zijn en er zal weer iets bijkomen. Misschien wel een Nederlandse-vlaggenboer om het gat in de markt te dichten.
maandag 12 september 2022
Ik bracht het afval naar de ondergrondse container en vlak voor ik aankwam, haalde een fietser me in. Hij pakte een beschaafd zakje uit zijn fietsmand, zette die in een container en sloot de klep. Hooguit wat schelpenzand van een kanarie, dacht ik. Zelf had ik een dampende zak kattengrind bij me en plofte die neer naast de container.
‘Je moet een pasje hebben’, zei de man, ‘anders mag je afval er niet in. Dan komen de mensen met dat zoemende autootje, die bewakers, en die geven je een boete. Veel geld.’ Hij wapperde nog eens met het pasje. Ik zwaaide met de mijne terug en hees het kattengrind de bak in. De ondergrondse container smulde ervan, gelijk begon het mechanische ondergrondse gemaal. De man keek tevreden.
Hij zei dat hij uit China kwam en blijkbaar bij mij in de straat woonde. ‘Al twintig jaar’.
‘Ik pas één jaar’, zei ik.
‘Houdoe’, zei hij toen hij wegliep en pas toen bedacht ik me dat hij in het huis woont waar een rode kitten voor het raam danst als je langsloopt. Daar had ik hem graag naar gevraagd. Hoe noemen Chinezen hun katten?
‘Zou hij elke dag zijn kattengrind verversen?’, vroeg ik de dag erna aan E. ‘Hij had zo’n klein zakje’.
We passeerden zijn huis. Een NAC-vlag hing in het raam, de kitten lag te slapen.
‘Eerder zag ik er al een carnavalsvlag hangen’, vulde ik aan.
‘En hij zegt houdoe’, zei E.
‘Je moet wel in deze buurt, voor je het weet heb je een boete.’
dinsdag 6 september 2022
Het leegstaande huis naast mij is verkocht. Onder voorbehoud, zei het bordje en sindsdien zijn de gordijnen van de woning open. Vanochtend stond een mevrouw met haar handen in haar zij het huis te inspecteren.
‘Hallo’, zei ik, ‘bent u de nieuwe bewoner?’
‘Ik ben de taxateur. Mag ik je wat vragen stellen?’
Ze vroeg naar een paar algemeenheden en wees toen naar de overkant van de straat. ‘Zijn dat sociale huurwoningen?’
‘Ja.’
Een frons trok over haar gezicht. ‘Heb je daar érg veel last van?’
Ik dacht aan de sociale huurflat waar ik tien jaar heb gewoond en de vrienden die ik in het complex heb gemaakt. Als je alles door een financiële lens bekijkt, zijn tegenoverliggende sociale huurwoningen plots een obstakel die je investering kunnen bedreigen. Ze deed eigenlijk precies wat je van een taxateur mocht verwachten.
‘Je wilt niet weten’, zei ik en hoopte verwarring te hebben gezaaid.
Later die ochtend begeleidde ik studenten bij een project over inclusie. Ze bedachten voorbeelden waar en wanneer inclusie een rol speelt en probeerden te ontrafelen wat het nou eigenlijk betekent. De toeslagenaffaire werd genoemd, etnisch profileren bij de politie, pesten op scholen. Ik vroeg wie van hen graag op kamers wilde wonen, maar het niet kon betalen. Een paar handen gingen omhoog.
‘Maar dat heeft er toch niks mee te maken?’, zei een student. ‘Dan moet je gewoon harder werken.’
Je kunt niet voorzichtig genoeg zijn in de keuze van je ouders, is een gevleugelde uitspraak van mijn vader. Ik wilde de discussie niet politiseren of verder sturen, dus herhaalde ik deze uitspraak alleen in mijn hoofd. Ik vertrouw erop dat ze straks, aan het eind van hun studie, in de smiezen hebben dat – zoals Rutger Bregman mooi zei – armoede geen gebrek aan karakter is, maar een gebrek aan geld.
maandag 4 juli 2022
Ik rij met mijn auto langs een braakliggend terrein. Het is omzoomd door een hek en er groeien grassen en andere planten. Laatst hebben ze alle bomen die er stonden weggehaald. Dat is zonde, maar het geeft de bezorgde burger het idee dat er iets met het terrein gaat gebeuren.
Ik bedenk me dat dit hele stuk land zich perfect zou lenen voor lijfwijk en begin in mijn hoofd de plattegrond te tekenen.
Lijfwijk betekent dat de plattegrond van de buurt wordt getekend in de vorm van een lichaam. De straatnamen corresponderen met de plek op het lijf. Zo kun je wonen in de oksel of de elleboog, maar ook op de lip 17, of aan het strottenhoofd 12. Bij de schaamstreek komt een bosje en in de navel een kleine vijver. De achterbuurt hebben we niet in lijfwijk, want we gaan uit van de voorkant van het lichaam.
Als ik stilsta bij het stoplicht, wandelt er een man voorbij met een bakje eten. Hij gooit handjes eten uit het bakje de lucht in en hapt vervolgens naar de lucht alsof hij een jong vogeltje is dat gevoerd moet worden. Het merendeel van het eten gooit hij over zich heen. Waarschijnlijk is dat de reden dat hij nooit de jonge-vogeltjes-fase is ontstegen.
Waar we mensen als deze meneer gaan huisvesten in lijfwijk weet ik nog niet. Ik denk aan een plekje dichtbij het hart of als hij liever wat meer op zichzelf is, in de kleine teen. Ook weet ik nog niet waar het blijf-van-mijn-lijf huis gevestigd moet worden en of het oké is om zowel de school als de psychiatrische instelling aan de kop te huisvesten. Het lijkt me wel vanzelfsprekend dat lijfwijk mannelijk is, al is het maar om mensen die we echt niet mogen aan de lul te laten wonen.
stalen wil
Elena en Kolja* kijken verbaasd als we de grens met Duitsland over rijden. Dat we zonder paspoortcontrole door kunnen maakt niet zoveel indruk, het zijn de windmolens die dat doen. Een eindeloze rij turbines vangt de wind aan de grens.
‘Alsof je voor het eerst een vliegtuig ziet’, zegt Kolja.
‘Wacht maar tot je in Nederland bent’, antwoordt Casper, mijn vriend en medechauffeur.
We hebben Elena en haar zoon Kolja (17) opgepikt in Rzeszów, een stad in het zuidoosten van Polen. Voor ze bij ons instappen hebben ze al een treinrit achter de rug van 25 uur van Kharkiv naar Lviv en aansluitend een bus- en taxirit om hier, in Rzeszów, aan te komen. Het is zeven uur ‘s ochtends. Geslapen hebben ze al dagen niet. Casper en ik besluiten om ze niet te bestoken met vragen. We hebben de beelden uit Kharkiv gezien.
Bij de eerste tankstop delen ze snoepjes uit de plastic draagtas die ze mee hebben genomen. ‘Uit de fabriek van onze voormalige president Porosjenko.’ We grappen over de hoeveelheid snoep die er op de heenreis al doorheen is gegaan en dan vertelt Kolja over hoe de oorlog begon. Zonder aankondiging, maar met een raketaanval op het busstation voor de deur. ‘Overal lagen mensen. De politie kwam en maakte foto’s, maar de mensen bleven liggen.’ Daarna hebben ze drie weken in de kelder geleefd.
Dat wij hier zijn komt door de schoonzus van Casper, Anna. Haar familie woont in het zuidoosten van Polen en ze heeft een hulpactie op touw gezegd voor het weeshuis daar. Twee keer per week komen er tussen de 300 en 500 kinderen uit Oekraïne aan, vaak met niet meer dan een rugzak. Omdat Anna vloeiend Pools spreekt, wist ze aan wat voor spullen er behoefte was. Met twee busjes vol goederen reden we naar Stalowa Wola, vlakbij Rzeszów. Casper en ik in de ene, zijn broer Thijmen en Anna in de andere.
Stalowa Wola betekent zoiets als Stalen Wil. Het stadje is ontstaan toen Stalin de opdracht gaf hier een grote tankfabriek neer te zetten. Daar omheen zijn in sovjet-stijl woonblokken opgetrokken. De tankfabriek staat er nog, alleen wijzen de lopen nu de andere kant op. Af en toe klinkt er een doffe dreun als ze het geschut testen.
We overnachten bij de familie van Anna. Voor ik mijn ogen sluit, heb ik even oogcontact met Paus Johannes Paulus II, zijn foto hangt boven het bed, naast een opgehangen tennisracket. Het voelt alsof ik nog aan het rijden ben. Ik weet nu zeker dat ik nooit vrachtwagenchauffeur ga worden.
Omdat Kolja 17 jaar is, was dit de laatste kans om te vluchten. Vanaf zijn 18e zou hij dienstplichtig zijn. Hij draagt een joggingbroek en snapback-pet en bij elke plaspauze zuigt hij sigaretjes leeg. Af en toe legt hij zijn hoofd op zijn moeders schoot en sluit dan zijn ogen. Dan veert hij plots op: ‘mag ik al drinken in Nederland?’
Rond middernacht rijden we Nederland in. We zijn uitgeteld van het rijden, maar kunnen ons niet voorstellen hoe uitgeput Elena en Kolja moeten zijn. Ze vergeten hun spullen in de auto en wandelen gelijk naar binnen bij het gastgezin. Als ik eenmaal op bed lig, tolt het opnieuw. Ik vraag me af of ik zou kunnen doorstaan wat zij hebben doorstaan, hoe ik ermee zou omgaan. Antwoorden komen niet, alleen de gedachte aan een stalen wil.
*namen zijn gefingeerd
woensdag 16 maart 2021
Vorige week werd ik gebeld door een man van de lokale LPF. Hij wilde praten over de naderende verkiezingen. Ik schrok, want: ben ik het kiezerspotentieel van de LPF? Ben ik de boze witte man? Ik was toevallig wel boos die dag waardoor ik in een staat van verwarring het gesprek afsloot.
Op de site van de LPF zag ik dat de man die mij belde een oud klasgenoot was. Hij had een vlassnor, droeg een overhemd met colbert en stond negentiende op de kieslijst. Doorgaans een vrij kansloze positie waarin je alleen stemmen krijgt van je moeder, je vriendin en met een beetje mazzel, van een oud klasgenoot.
Omdat het me niet losliet hoe hij aan mijn nummer kwam, belde ik hem terug en een goede vriend nam op. Het telefoontje bleek een geslaagde grap te zijn waar ik volledig was ingetuind. Een diepe zucht verliet mijn lichaam. Het equilibrium herstelde zich. Ik plakte een extra plakbandje op mijn Groen-Links poster, haalde wat tegels uit de tuin en plantte een kleine kersenboom.
In de kerk waar ik vanochtend heen ging, was ik de enige stemmer. De medewerkers van het stembureau dronken koffie. Een vrouw keek me extra diep in de ogen en toen naar mijn rijbewijs, daarna kreeg ik van haar het formulier, het potlood van een ander en een glimlach van de derde in de rij. Het formulier landde diep in de bus. Het blikkerige geluid verraadde dat ik de eerste was deze dag. Het was toch al half 10. Toen ik naar buiten liep bedacht ik me dat het een goed idee was geweest als de LPF wat meer telefoontjes had gepleegd. Al was het maar om mensen eraan te herinneren wat ze niet willen.
woensdag 16 februari
De derde storm van dit jaar blaast door de straat. De ramen heb ik gesloten, maar er doorheen hoor ik het gefluit van de wind. Ik denk aan alle dingen die vanaf komende week weggeblazen worden. Maatregelen, mondkapjes, Willem Engel. Toch ben ik niet blij. Eerder schijnblij, zoals je bent voor een collega die voor de derde keer zwanger is.
Tijdens de lockdown hoorde ik mezelf pleit bezorgen voor de opening van theaters, podia en horeca. Nu het zover is, heb ik er schrik voor. Want in dat afgesloten vacuüm waarin ik verkeerde, hoefde ik me geen zorgen te maken over de wereld. Ik bof daarmee, want niet ieders huiselijke kring is aangenaam, maar de afstomping was weldadig. Escapisme sur place zou je het kunnen noemen. Een beetje werken, een beetje lezen, een beetje relaxen. Al het vermaak was op rantsoen, en de aandacht was er voor mezelf. Voor mensen met een onrustige geest was de lockdown een afkickkliniek.
Met een verslaving werkt het zo dat na het afkicken de rehabilitatie begint. De echte uitdaging, waarbij de verslaafde de wereld in gaat en blootgesteld wordt aan verleidingen en daarbij aan een mogelijke terugval. Een vriend die al jaren niet meer drinkt, omschreef die periode na het stoppen als het ‘opnieuw jezelf leren zijn’. Je weet niet meer hoe het moet, en als je het op dezelfde manier doet zoals je het deed, loopt het niet goed af.
Toen ik vanochtend door het park liep, markeerden carnavalsvlaggen het pad richting de binnenstad. Ook zij geven aan dat er storm op komst is met hun bezeten gewapper. Het oranje-geel stak potsierlijk af tegen de stormkleuren. Zelfs het witte kalksteen van de kerk was grijs geregend. De laatste keer leefde ik hier weken naartoe, nu doe ik maar alsof. Ik heb geen kostuum, ik heb geen idee. Net als die vlaggen hang ik er maar een beetje bij.
Aan het eind van het park, waar de singel begint, staat een vrouw een broodzak leeg te gooien in het water. ‘Voor de eendjes’, zegt ze als ik haar aankijk. De plastic zak laat ze ook wegwaaien, onmiddellijk wordt hij gegrepen door de wind en vertrekt. Ik probeer hem nog even te volgen, maar raak hem snel kwijt. Er zijn geen eendjes te bekennen. Alleen maar felle kleuren tegen zachtgrijs.
zondag 30 januari
In de Grote Kerk van Breda hangt een kunstmaan. Vanavond was de laatste kans om haar – de maan is vrouwelijk – te bekijken. Staren naar de maan is al eeuwenlang een hobby, maar pas als er een replica in de kerk wordt gehangen, begin ik met uitvoerig kijken. Ik voel mijn telefoon branden in mijn zak en om mij heen staan meer mensen met dezelfde impuls: dit moet je delen met andere aardbewoners.
Want kijk nou toch eens wat een duizelingwekkende hoeveelheid kraters. Sommige klein als puistjes, andere kilometers lang in omtrek. Allemaal littekens van meteorietinslagen. Wat krijgt die arme maan het zwaar te verduren. Sommige vlakken lijken nog redelijk onaangetast, maar ook dat zijn als je goed kijkt onderdelen van een immense inslagkrater. Op aarde regent het water, in de kosmos meteoriet.
Het mooiste van de expositie bevindt zich aan de donkere kant van de maan. De kant die we vanaf de aarde meestal niet kunnen waarnemen. Vanaf daar heb je toegang tot een andere tentoonstelling: een fotodocument over de Norbertijnse nonnen. Allemaal op hoge leeftijd, en zonder uitzondering met een wijze en zachte blik in hun ogen. Al 750 jaar woont deze orde van nonnen in de buurt Breda, maar net als deze kant van de maan, is hun leven volledig aan het zicht onttrokken.
Onder elke foto staat een citaat van de afgebeelde non, woorden die normaal alleen stille gedachten zijn. Deze, van zuster Henriëtte (83), vond ik zelf de mooiste: Het leven van ieder mens kent dagen van geluk, maar ook dagen van verdriet. Ook in een klooster ervaar je dit telkens opnieuw. We zijn en blijven méns in alle omstandigheden.
dinsdag 25 januari
Onlangs zat ik in een vliegtuig met iemand die ik lief vind. Ze heeft vliegangst en knijpt in mijn hand als de motoren opwarmen. Nog voordat we opstijgen, zegt ze dat ze vroeger alle afleveringen van Air Crash Investigation heeft gekeken. Ze kijkt uit het raampje. Regen klettert neer op de vleugel. Ik heb geen vliegangst, mompel ik onverstaanbaar achter mijn mondmasker.
Aan de andere kant naast me zit een man met een rugzak met snoep. Hij deelt het uit aan de kinderen in de stoelen voor en achter ons. Daarna krijgt hij een baby op zijn schoot geduwd. Een vrolijk, mollig hoopje mens in een blauw-wit gestreepte romper. Om en om begint een van de kinderen te huilen, en tenslotte ook de baby. Ze hebben geen last van vliegangst, maar van een suikerdipje.
Ik vraag een blikje Heineken bij de stewardess. De vader glimlacht en proost met een flesje babymelk tegen mijn blikje bier. Een ander kind, ergens tussen baby en peuter in, zit nu op zijn schoot. Als ze begint te poepen besluit ik mijn koptelefoon op te zetten. De neus is een onhandig lichaamsdeel. In tegenstelling tot de oren en de ogen kun je het niet afdichten, op straffe van onmiddellijke ademnood.
Ik las laatst dat geduld een actief besef is dat het leven niet altijd leuk is. De vader blijft rustig zitten.
‘Is ’t gedaan?’ vraagt hij aan het meisje. Ze knikt en hij neemt haar mee naar een van de toiletcabines achterin. Uit de open rugzak steken een half flesje babymelk en een kleine fles whiskey. Geduld is een schone zaak, denk ik. ‘Geduld is een schone luier’, zeg ik tegen mijn lief.