zelfisolatie dagboek – donderdag 7 mei

Vanuit mijn raam heb ik zicht op een grote boom. Op de eerste vertakking wonen twee duiven en sinds een week hebben ze een logee in de vorm van een klein tortelduifje. De knappe verstekeling met haar zwarte halsband zat gebroederlijk naast het verlopen stel. Het is een solidariteitsactie van het duivenpaar. Het aanbod aan verloren frietjes is flink geslonken, laat staan de door dronken toeristen achtergelaten plakkaten braaksel. Gelukkig is er op het plein een buurman die elke dag een zak oud brood leegkiepert.

Het tortelduifje verbleef vandaag op de rand van de flat. Haar gastvrouw en heer alert op hun vaste tak. De solidariteit bleek van korte duur. Geven wat je ten overvloede hebt is voor niemand lastig, pas als beide partijen het moeilijk hebben wordt de waarde van hun saamhorigheid getest. De broodkruim was op. Net als het geduld dat wij ten overvloede hadden aan het begin van de lockdown wordt het met de tijd schaarser. Alle spandoeken en t-shirts voor het zorgpersoneel ten spijt, de solidariteitstest is pas net begonnen.

zelfisolatie dagboek – woensdag 6 mei

‘Ik moet er niet aan denken dat ik straks weer elke dag naar mijn werk moet’, appte een vriend mij vlak na de persconferentie van Rutte. Het voorzichtige opengaan van Nederland is een vreugdesprong voor de één en een terugkeer in de dwangbuis voor de ander. Ik mopperde zelf al vaker over de gezapigheid van het leven in coronatijd. Maar vandaag betrapte ik mezelf op ambivalente gevoelens bij het hervatten van life as usual.

Die dubbelzinnigheid betekent dat hoe het leven was niet in alle opzichten beter is dan hoe het nu is. Ik zie dat ook terug bij cliënten die de afgelopen twee maanden wonderbaarlijk herstelcurven vertoonden. Blijkbaar is het best goed voor een mens als hij het een tijdje rustiger aandoet.

De vraag is nu: wanneer houdt isolatie op en begint life as usual? Of is het ‘gewone’ leven het abnormale waar we langzaam gewend aan zijn geraakt?

zelfisolatie dagboek – maandag 4 mei

Tijdens de twee minuten stilte klonk er een ijselijke kreet op de Dam. Het bleek een meeuw die de stilte aangreep om zich kenbaar te maken. Mijn gedachten flitsten terug naar de damschreeuwer uit 2011, die ook de stilte gebruikte om zich te laten gelden. In een interview uit 2013 gaf hij aan dat in die schreeuw ‘zijn hele leven zat’. Zo klonk die meeuw ook een beetje.

Even later hield de koning een toespraak voor een leeg plein, voor alle legen pleinen eigenlijk. Hoe vaak zou hij op een verlaten Dam hebben gestaan? Voor het paleis, voor zijn woning? Misschien is hij er nachts een keer langsgefietst, vermomd en al, en stond hij in de korte pauze tussen twee trams en alle fietsers, even helemaal alleen.

zelfisolatie dagboek – zaterdag 2 mei


Ik was vandaag in Wognum. Of ja, ik was niet echt in Wognum, maar bij benadering toch zeker. Dat moet ik uitleggen. In de brievenbus zat een tweedehands fotoboek dat ik op bol.com had besteld. Het was door een vriendelijke meneer uit Wognum op de post gedaan. Dat vriendelijke kon ik niet weten, het was het beeld dat ik erbij kreeg: een man in een klein West-Fries dorpje verpakt met zorg een mooi boek waar hij eerder zelf van genoot. Geen botte hork die aan zulke zaken zijn aandacht besteed.

De sympathie voor de verzender werd versterkt door een opvallend detail op het pakketje: de postzegels waren niet als stickers op de envelop geplakt, maar met stukjes vorige envelop en al op het pakket gelijmd. De vriendelijke meneer was een vriendelijke meneer in geldnood. Direct voelde ik me bezwaard dat ik er slechts negen euro voor had betaald.


Eenmaal open rook het boek naar tabak. De geur zat al snel aan mijn vingers en na een half uur dwarrelde de rook door mijn hele huis. Ik zat in de woonkamer in Wognum te kijken naar alles wat verkocht moest worden om wat bij te verdienen. Negen euro, dat is toch weer anderhalf pakje sigaretten.

zelfisolatie dagboek – donderdag 30 april


Drieënzestig bier, vierennegentig hardloopkilometers, drie boeken, twaalf sigaretten, achtentwintig liter koffie, achttien tranen, honderdzesennegentig uur schermtijd, vijfennegentig potjes Worfeud (zesenvijftig winst), zesenveertig keer opgestaan – evenveel keren naar bed gegaan, één keer de klok verzet, drieëndertig maal gesnoozed, één keer twee maal verslapen op één dag, zes thuisbezorgdmaaltijden, zeven melancholische middagen, één keer slecht geslapen, drie keer gewekt door een uil, één keer gedroomd over Moskou, twee keer geschrokken van een wesp, zevenentwintig muggenbulten (drie muggen gedood), twee paar schoenen gekocht, twintig keer seks, vijf keer met mezelf, twee verjaardagen vergeten, evenzoveel kaartjes verstuurd, negentien potjes jeu-de-boules, negen boze facebookreacties, twaalf ongeopende brieven, vier digitale borrels, twee geslaagde digitale borrels, nog onbekend hoe veel dagboeken te schrijven.

zelfisolatie dagboek – woensdag 29 april

Toen mijn opa overleed, ik was 14 jaar, werd tijdens de verdeling van spullen de boekenkast ongemoeid gelaten. Uit de muur van vergeeld papier nam ik een dierenatlas en een citatenboek mee. Ik vermoedde dat mijn opa zijn wijsheid haalde uit ten minste één van die twee boeken. De bijbel liet ik staan en ging samen met de rest van de boeken naar de kringloop. 


Die dierenatlas lag lange tijd naast mijn bed, maar het citatenboek verdween opnieuw in een kast. Een paar weken geleden dook het plotseling op tijdens het leegruimen van wat dozen, als een oude bekende wiens naam je bent vergeten, maar het gezicht nog van herkent. Het lag daar al die tijd geduldig te wachten om zijn kennis te etaleren. Maar kennis heeft zelden haast.



Als M. er is zoeken we ’s avonds voor het slapen gaan een citaat uit het boek. De een kiest het thema, de ander een nummer en het bijbehorende citaat vormt het credo van de dag. Vandaag werd het moed nummer 16: ‘iedereen houdt van de gevaren die hij niet vreest’. We knikten allebei kort en lurkten aan onze thee.

zelfisolatie dagboek – dinsdag 28 april

Zoals een astronoom de hemel afspeurt naar nieuwe sterren, zo zocht ik vandaag op mijn huid naar een teek. Nieuwe moedervlekken, die vond ik, en een puistje, maar van teken geen spoor. Dat mijn wandelmaatje er al een uit zijn been had getrokken, was voldoende reden om door te zoeken. Het niet vinden van een teek is namelijk geen bewijs van zijn afwezigheid – je hebt hem simpelweg nog niet gevonden.

Ik vatte de theorie op dat de teek aan de donkere zijde van mijn lichaam moest zitten; het stuk dat ik nooit direct met mijn eigen ogen kon zien. Daar waar mijn billen mijn benen raken bijvoorbeeld, of op het gladde deel van mijn rug. Maar ook toen ik met behulp van de spiegel verder kon kijken, bleef de teller op nul staan. 



Met mijn broek nog op mijn knieën en een beetje teleurgesteld, dacht ik aan de donkere zijde van de maan. De kant die nooit wordt gezien vanaf de aarde, maar daarom niet minder maan is. En hoe je er op moet vertrouwen dat je sommige dingen niet kunt zien, en andere dingen domweg niet bestaan.

zelfisolatie dagboek – maandag 27 april

Boven de bak met aardbeienplanten staat de buurman flink te hoesten. 

‘Ze gaan geen vruchten meer geven’, zegt hij als ik kom aangelopen. ‘Je moet de plantjes ‘s winters eruit halen en in het voorjaar nieuwe erin zetten.’
Hij plukt een bloemetje en laat het vallen voor de neus van zijn hoogbejaarde hond.

Het voorspellen van het einde der tijden is van alle tijden. Voor de buurman is het actueel. 
Een zuchtje corona zou hem al omver blazen. Zijn stemming drukt zwaar op alles, zelfs zijn hond lijkt aan de grond gekleefd.

Als ik even later op bed lig, en nog iets later weer wakker schrik, hangt het verdriet nog in de slaapkamer. Het zit verscholen tussen de stapels kleren, onder de dekens. Het is besmettelijk op een manier die niet te duiden is. Niks beschermt je ertegen en dat is gek genoeg heel erg geruststellend.

zelfisolatie dagboek – vrijdag 24 april


Nu de dagen zijn verdund tot een waterige siroop begin ik steeds meer te verlangen naar een vakantie. Niet dat het leven slecht is, sterker nog: het is belachelijk aangenaam. Dit is misschien wel het moment in mijn leven waarop ik het minst hard aan vakantie toe ben. Toch keek ik vandaag reikhalzend uit naar de smerigheid van Franse tankstations, de trage rit door langzaam veranderende landschappen – van afgesneden graan naar groene heuvels en uiteindelijk: de bergen.


In de binnentuin las ik wat uit De Levende Berg. Ik bezwoer mezelf dat lezen het goede was om te doen, dichterbij zou ik voorlopig niet komen. Er was niks aan te merken op de tuin. Alles in bloei en badend in een zacht licht en tegelijkertijd beschut onder de wapperende groene vingertjes van de bomen. Maar toch, maar toch. Ik snakte naar slecht campingsanitair, klef stokbrood, muggenbulten, verbrande koffie, zeven euro betalen voor een ijsje, ongemak in alle soorten en maten. Nooit geweten dat het vooruitzicht op ongeriefelijkheid zo aangenaam kon zijn.

zelfisolatie dagboek – woensdag 22 april

Op weg naar mijn vriend C. fietste ik over een stuk prei. Tot dan toe had ik ze proberen te ontwijken, maar op een gegeven moment lag de hele weg bezaaid met dode preien. Ik stopte om de sliert van mijn wiel te plukken en keek naar de overkant waar een man in de voortuin een peuk stond te roken. De man keek alsof dit dagelijkse gang van zaken was.

‘Oogst die niet meer verkocht kan worden’, zei C. Naast het huis waar hij verpoost ligt een akker vol preien die nog in de grond staan. De boer laat ze verdorren en er woont nu een fazant tussen de uitgelopen stengels.

In de middag schoten we met een luchtbuks deukjes in een pannetje dat we tegen het hek plaatsten. Het eerste schot was raak, het tweede en derde schot verdwenen in het preienveld. We aten frambozen en zeiden zonder het te zeggen dat we het zo nog wel een tijdje konden volhouden. De fazant hebben we niet meer gezien.