Ik wil niet opscheppen, ik wil iets verkennen. Dus mocht onderstaande hoogdravend overkomen, of op enige wijze pseudo-inspirerend werken: zo is het niet bedoeld.
Maar om toch te beginnen: bij het bijwerken van mijn Goodreads account zag ik dat ik zo’n vijfentwintig boeken heb gelezen afgelopen jaar. Niet bijster veel, ook niet onaardig. Die vijfentwintig zijn degenen die ik van kaft tot kaft las. Er zijn ook nog de boeken die ik wel las, maar eerder weglegde; de halfgelezenen, de stiefkindjes van mijn boekenkast, want ook al nemen ze ruimte in beslag, ze horen er niet volledig bij.
Het was de jaarwisseling waardoor ik me met zulke getalsmatige onbenulligheden bezighield. Terugblikken, vooruitkijken. Het mag geen wonder heten dat ik schrijf over wat mij bezighoudt en op dit winterse moment is dat vooral lezen. Eerder kreeg ik het commentaar dat al mijn teksten zich in de kroeg of de trein afspeelden. Dat was misschien nog een beetje waar ook. Ik ben saaier geworden. Wat ik opschrijf speelt zich meer af in de verhalen van anderen. Dat zijn doorgaans prettigere of spannendere plekken dan het dagelijkse leven.
Schrijven over schrijven is een beetje meta. Net als schrijven over lezen. Het is iets waar je eigenlijk niet aan moet beginnen, maar nu we hier staan zal ik moeten afmaken waar ik aan ben begonnen. Dat tellen van de boeken bracht me op de gedachte dat als ik nog zo’n vijftig jaar te gaan heb, ik met vijfentwintig boeken per jaar uitkom op zo’n twaalfhonderd te lezen boeken voor de rest van mijn leven.
Die gedachte van aftellende boeken benauwde me direct. Het deed me denken aan mensen met een levenskalender op hun deur. In de persoonlijke-groei en coachingskringen is dat een ding: een levenskalender waarop de weken van het jaar staan (52), vermenigvuldigd met je levensverwachting (80). Zo’n 3000 vakjes heb je op een groot vel papier staan en elke week kruis je een vakje aan. Het herinnert je aan de onontkoombare realiteit van de dood met daarbij de dwingende aanmaning om nu datgene te doen dat de moeite waard is, immers: de tijd is schaars.
De klok tikt. Voor mij werken zulke ideeën verlammend. De kans dat ik ooit doodga is levensgroot. Alle mensen die voor mij hebben geleefd zijn doodgegaan, maar met zo’n haast of doodsangst wil ik niet leven of lezen. De vinger van Magere Hein die elk moment het boek kan dichtklappen en daarmee zegt: ‘dit was het vriend, tijd voor de vergetelheid’, lijkt me geen goede voorwaarde voor een prettige leef -of leeservaring.
Ik moet denken aan mijn pa die, in het ene jaar dat hij met pensioen was, zo’n zeventig boeken er doorheen had gejast. Daar zaten ook duizend-pagina-ers tussen. Vuistdikke exemplaren waar een kachel zeker een half uur stevig op kan branden. Het was voor hem een teken om weer te gaan werken. Er komt een punt van verzadiging. Twaalfhonderd boeken, misschien zijn het er iets meer of iets minder. Ik ga komend jaar de tel niet bijhouden.