Zonder dat ik er mijn vinger op kon leggen, of achter kon krijgen, was ik in een pesthumeur. Ik besloot niet verder te gaan graven naar de oorzaak dan ik al had gedaan en mijn avond door te brengen met een kop thee op de bank. Ik reed nog snel de kliko de stoep op toen twee meiden met een backpack op me af kwamen gelopen. Ze waren Frans en gingen liftend door Europa. Had ik misschien een slaapplek in de aanbieding?
Emma kwam erbij. In haar blik zag ik weerspiegeld wat ik zelf dacht: waarom ook niet?
Onwillekeurig dacht ik aan het programma Nu we er toch zijn waarin Eddy Zoëy de gastvrijheid van Nederland onderzoekt door bij mensen aan te bellen en steeds verder op te schuiven met zijn verzoeken. Het begint met vragen om een kopje thee en eindigt met: mag ik blijven logeren? Ik vroeg me altijd al af wat ik zou doen als het mij zou overkomen.
Ik liet ze de zolder zien waar ze konden slapen.
’Dat viel ons al op’, zei een van de Françaises, ‘de trappen in Nederland zijn steil.’
‘Heb je ook Rituals? Die zeep?’, vroeg de ander. ‘Dat staat in elk Nederlands huis waar we tot nu toe waren.’
Ik zei dat ik dat niet had, maar dat ze morgen pannenkoeken zouden krijgen, met kaas en stroop en dat dat très néerlandais zou zijn.
‘Moeilijk hè, om chagrijnig te blijven’, zei Emma.
Het bleek inderdaad minder versteend dan ik dacht. Het was van eenzelfde voorbijgaande aard als twee Franse liftsters met een rugzak.